Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
10-318 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting bijstand. De Raad stelt vast dat appellante de gevraagde gegevens met betrekking tot de betaling van de premie van de autoverzekering aan het College niet had overgelegd, zodat appellante toen in verzuim was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/318 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 09/3888 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Appellante is daar, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Vlaanderen-Dorhout, werkzaam bij de gemeente Huizen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij beschikt over een (oude) auto. In verband met ontstane twijfels over onder meer de betaling van de premie van de autoverzekering is appellante bij brief van 14 januari 2009 verzocht per direct de volgende gegevens over te leggen: een kopie beschikking motorrijtuigenbelasting 2008, een kopie polis autoverzekering en een kopie voorlopige teruggaaf belastingen 2009. Appellante heeft op 16 januari 2009 een kopie voorlopige teruggaaf belastingen 2009 overgelegd en meegedeeld dat een kopie beschikking motorrijtuigenbelasting niet voorhanden is omdat haar auto ouder is dan 25 jaar, zodat zij is vrijgesteld van het betalen van motorrijtuigenbelasting. Op 23 januari 2009 heeft [een kennis] van appellante, een verklaring overgelegd, inhoudende dat hij de premie voor de autoverzekering voor appellante betaalt.

1.2. Bij besluit van 18 februari 2009 heeft het College het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2009 opgeschort. Daarbij is aangegeven dat de volgende gegevens nog ontbreken: een kopie van de autoverzekeringspolis, betalingsbewijzen van de premie van de autoverzekering en een uitvoerige schriftelijke verklaring van appellante over de reden/aanleiding dat niet appellante, maar [een kennis] de premie van de autoverzekering betaalt. Namens appellante is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 7 augustus 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

7 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep namens appellante naar voren is gebracht overweegt de Raad dat hij met de rechtbank van oordeel is dat de door het College gevraagde gegevens met betrekking tot de autoverzekeringspolis en de betaling van de premie van de autoverzekering van belang kunnen zijn voor het vaststellen van (de hoogte van) het recht op bijstand van appellante en dat op appellante dan ook de in artikel 17, eerste lid, van de WWB vervatte verplichting rust het College van deze gegevens op verzoek of onverwijld uit eigen beweging in kennis te stellen. De Raad stelt voorts vast dat appellante ten tijde van het opschortingsbesluit van 18 februari 2009 in strijd met vorengenoemde bepaling nog niet de bij brief van 14 januari 2009 gevraagde gegevens met betrekking tot de betaling van de premie van de autoverzekering aan het College had overgelegd, zodat appellante toen in verzuim was. Nu niet is gebleken dat dit verzuim appellante niet verweten kan worden, was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 februari 2009 op te schorten. De Raad ziet geen grond in hetgeen appellante heeft aangevoerd om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn ter zake gegeven bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.2. De door appellante aangevoerde grond met betrekking tot de vraag of de betaling van de autoverzekering door derden als inkomen in natura dan wel als gift moet worden aangemerkt, laat de Raad buiten beschouwing nu dit aspect niet van belang is voor de onderhavige opschorting van bijstand.

4.3. Uit het onder 4.1 en 4.2 overwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

NK