Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2015

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
26-01-2011
Zaaknummer
08-2153 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Nu aan betrokkene geen maatregel is en zal worden opgelegd in verband met het niet voldoen aan de verplichting zo breed mogelijk te solliciteren naar functies die hij aan kan en appellanten evenmin schadevergoeding vorderen, ziet de Raad niet in welk resultaat, dat voor appellanten ook feitelijk betekenis heeft, zij met de onderhavige procedure thans nog kunnen bereiken. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2153 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [Betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 maart 2008, 07/2410 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend en voorts op 25 juni 2010 bericht dat betrokkene op 29 oktober 2009 is overleden.

Bij brief van 4 november 2010 hebben appellanten bericht dat zij de procedure voortzetten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellanten zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving bijstand sinds 1984, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het College betrokkene de verplichting opgelegd zo breed mogelijk te solliciteren naar alle soorten werk die hij aan kan.

1.3. Bij besluit van 10 mei 2007 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 mei 2007 ongegrond verklaard.

3. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN AY8271, en 1 juni 2010, LJN BM7208, is neergelegd dat eerst sprake is van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover van belang - is de belanghebbende vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.

4.3. Nu aan betrokkene geen maatregel is en zal worden opgelegd in verband met het niet voldoen aan de verplichting zo breed mogelijk te solliciteren naar functies die hij aan kan en appellanten evenmin schadevergoeding vorderen, ziet de Raad niet in welk resultaat, dat voor appellanten ook feitelijk betekenis heeft, zij met de onderhavige procedure thans nog kunnen bereiken.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

NK