Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP2007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
09-5055 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. De Raad stelt vast dat het ontslagbesluit en het bestreden besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 31, derde lid, van de GR zijn genomen door het (dagelijks) bestuur van de Muziekschool en dat de besluiten volgens het bepaalde in de artikelen 14 en 15 van de GR correct zijn ondertekend. Dat appellant het niet eens is met het verlies van zijn ambtelijke status en als gevolg daarvan naar zijn zeggen in een financieel ongunstiger positie komt te verkeren, maakt het ontslag niet onrechtmatig. De opheffing van de GR is een politiek besluit, dat de Raad als een gegeven aanvaardt. In het Sociaal Plan Muziekschool Westerkwartier is vervolgens voorzien in flankerend beleid dat de gevolgen van het ontslag voor de betrokken ambtenaren (en werknemers) moet verzachten. Dat appellant daarvan geen gebruik heeft gemaakt komt voor zijn rekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5055 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 juli 2009, 08/532 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het Bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Muziekschool Westerkwartier (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 20 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 9 december 2010.

Partijen zijn, zoals tevoren meegedeeld, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was als muziekdocent werkzaam bij de Muziekschool Westerkwartier.

De muziekschool is een Gemeenschappelijke Regeling (GR) van de gemeenten Leek, Zuidhorn, Marum en Grootegast met als doel het verzorgen van muziek- en dansonderwijs in de deelnemende gemeenten. Appellant was aldus voor 9,67 uur per week in ambtelijke dienst. Naast de GR is een stichting Muziekschool Westerkwartier in het leven geroepen, waarin ook een deel van de docenten is tewerkgesteld.

1.1. Medio 2007 is besloten tot opheffing van de GR en van de stichting. Zowel de docenten aangesteld bij de GR als die bij de stichting kregen per 1 januari 2008 ontslag. Dat gold ook voor appellant, die bij besluit van 25 september 2007 op grond van de toepasselijke Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) door het bestuur ontslag werd verleend met ingang van 1 januari 2008. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 juni 2008 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgronden in eerste aanleg herhaald. Het bestuur heeft zich achter de aangevallen uitspraak geschaard.

4.1. Wat betreft de vraag of het ontslagbesluit bevoegd is genomen is de Raad van oordeel dat daarvoor niet het handelsregister van de Kamer van Koophandel voor Noord-Nederland bepalend is maar de GR. Appellant is immers voor zover het zijn ambtelijke dienstbetrekking betreft niet ontslagen door het bestuur van de stichting. De Raad stelt vast dat het ontslagbesluit en het bestreden besluit in overeenstemming met het bepaalde in artikel 31, derde lid, van de GR zijn genomen door het (dagelijks) bestuur van de Muziekschool en dat de besluiten volgens het bepaalde in de artikelen 14 en 15 van de GR correct zijn ondertekend.

4.2. Vast staat verder dat appellants betrekking werd opgeheven, zodat, gelijk de rechtbank terecht overwoog, appellant op goede gronden ontslag is verleend met toepassing van artikel 8:4 van de CAR/UWO (oud).

4.3. Met betrekking tot de gronden van appellant die zien op de beweerdelijke onzorgvuldige totstandkoming van het ontslag verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen. Aan het ontslag is een uitvoering traject van overleg voorafgegaan en appellant is ook individueel benaderd om over de gevolgen van de opheffing van zijn betrekking te spreken. Appellant heeft dus voldoende gelegenheid gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen.

4.4. Dat appellant het niet eens is met het verlies van zijn ambtelijke status en als gevolg daarvan naar zijn zeggen in een financieel ongunstiger positie komt te verkeren, maakt het ontslag niet onrechtmatig. De opheffing van de GR is een politiek besluit, dat de Raad als een gegeven aanvaardt. In het Sociaal Plan Muziekschool Westerkwartier is vervolgens voorzien in flankerend beleid dat de gevolgen van het ontslag voor de betrokken ambtenaren (en werknemers) moet verzachten. Dat appellant daarvan geen gebruik heeft gemaakt komt voor zijn rekening.

5. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

RB