Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
10-3471 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering. Terugvordering. Vordering wegens onterecht bezit OV-studentenkaart. Betrokkene werd terecht niet langer beschouwd als migrerend werknemer in de zin van het door appellant gevoerde beleid. Geen aanleiding van beleid af te wijken. Ook in het nationale recht zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant het gehanteerde 32-uurscriterium niet aan betrokkene zou mogen tegenwerpen. Niet gebleken is dat betrokkene op enig moment in de periode waarover de herziening zich uitstrekt de status van migrerend werknemer heeft herkregen. Weliswaar kunnen ook studenten die stage lopen worden beschouwd als migrerend werknemer, maar daarvoor moet wel – ook – zijn voldaan aan de voorwaarde dat tegenover de stagewerkzaamheden een vergoeding staat, hetgeen bij betrokkene niet het geval was. In dit verband wijst de Raad op bijvoorbeeld de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 3 juli 1986 (zaak C-66/85).

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 39
Wet studiefinanciering 2000 2.2
Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap ex artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/105
USZ 2011/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3471 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2010, 09/1630 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding appellant in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de

IB-Groep.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellant was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene heeft de Duitse nationaliteit en woont sinds augustus 2004 in Nederland. Hij heeft in juni 2006 studiefinanciering aangevraagd voor zijn studie psychologie. Bij deze aanvraag heeft hij een arbeidsovereenkomst (nulurencontract) overgelegd. Tevens heeft hij loonstroken overgelegd over de periode april tot en met juni 2006.

1.2. Appellant heeft, gelet op de overgelegde gegevens, aan betrokkene op grond van de veronderstelling dat hij is aan te merken als werknemer in de zin van – thans – artikel 39 van het EG-Verdrag (hierna: migrerend werknemer) overeenkomstig de aanvraag studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs en aanvullende beurs. Van deze beurs maakt een OV-studentenkaart deel uit.

1.3. Nadat hem bij een controle is gebleken dat betrokkene in 2008 niet het volledige jaar heeft gewerkt, heeft appellant de eerdere toekenning van studiefinanciering aan betrokkene over de maanden augustus 2008 tot en met juli 2009 bij besluiten van 20 maart 2009 herzien in die zin dat deze toekenning over deze maanden volledig ongedaan is gemaakt. Daarbij is € 2.057,48 aan uitbetaalde studiefinanciering teruggevorderd. Verder is ten laste van betrokkene een vordering wegens onterecht bezit van de OV-studentenkaart vastgesteld van € 952,-.

2. Het bezwaarschrift dat betrokkene hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 27 mei 2009 onder verwijzing naar de artikelen 39 van het EG-Verdrag, artikel 7, tweede lid, van de EG-Verordening 1612/68, de artikelen 2.2, 3.27, eerste lid, 7.1, tweede lid, onder c, en 7.4 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) en het door appellant gevoerde beleid ongegrond verklaard. Aangegeven is daarbij dat appellant studerende niet-Nederlandse EU-onderdanen aanmerkt als migrerend werknemer indien en zolang zij ten minste 32 uren per maand werken en dat in het onderhavige geval gebleken is dat betrokkene in augustus en september 2008 niet heeft voldaan aan die minimumeis, zodat geen recht meer op studiefinanciering bestond. Nu in de maand september 2008 geen recht op studiefinanciering bestond, kon betrokkene ook geen aanspraak maken op studiefinanciering over de periode vanaf oktober 2008 waarin hij stage liep.

Voorts is aangegeven dat betrokkene ten tijde van belang nog geen 5 jaar deel uitmaakt van de Nederlandse samenleving zodat hij ook niet op grond van Richtlijn 2004/38/EG en het arrest van het Europese Hof van Justitie van 15 maart 2005 (zaak C-209/03) voor studiefinanciering in aanmerking komt.

De vordering wegens onterecht kaartbezit is in de beslissing op bezwaar vastgesteld op € 1.224,-.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 27 mei 2009 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Appellant is daarbij opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft haar oordeel doen steunen op – kort gezegd – de overweging dat betrokkene in de zogeheten controleperiode, die liep van januari tot en met september 2008, gemiddeld ten minste 32 uur per maand heeft gewerkt, zodat hij over die periode recht had op studiefinanciering. Omdat hij aansluitend een verplichte stage heeft gevolgd, heeft betrokkene zijn recht op studiefinanciering behouden. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

4. Appellant heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat betrokkene vanaf augustus 2008 geen recht heeft op studiefinanciering omdat hij vanaf die maand niet meer is aan te merken als migrerend werknemer. Appellant heeft aangegeven daarbij beslissend te achten dat betrokkene zijn werkzaamheden met ingang van 19 juli 2008 heeft gestaakt. Weliswaar, zo is gesteld, kan er aanspraak op studiefinanciering blijven bestaan als er een periode niet wordt gewerkt, maar die periode mag niet langer duren dan één maand. Omdat betrokkene, mede gelet daarop, voorafgaand aan zijn stage geen recht had op studiefinanciering is doorbetaling daarvan tijdens de stage niet aan de orde.

5. Betrokkene heeft – voor zover van belang – in hoger beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven. Daarbij is nog aangegeven dat betrokkene bij het Servicekantoor van appellant in Amsterdam informatie heeft ingewonnen met betrekking tot zijn recht op studiefinanciering over de periode na beëindiging van zijn werkzaamheden.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. Ingevolge artikel 7.1 van de Wsf 2000 is appellant bevoegd een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend te herzien op grond van elk van de in het tweede lid opgesomde feiten. Bij gebruikmaking van die bevoegdheid kan appellant met terugwerkende kracht de toekenning van studiefinanciering alsnog in overeenstemming met het recht brengen. Dit impliceert dat de rechter bij toetsing van een besluit op bezwaar waarbij een belastend herzieningsbesluit is gehandhaafd in beginsel allereerst dient te beoordelen of en zo ja in hoeverre de beschikking die is herzien onjuist was en of bij het herzieningsbesluit de toekenning van studiefinanciering alsnog (meer) in overeenstemming is gebracht met het recht daarop.

6.2. In het onderhavige geding gaat appellant ervan uit dat de eerdere toekenningsbesluiten onjuist waren omdat betrokkene over de maanden augustus 2008 tot en met juli 2009 niet in de hoedanigheid van migrerend werknemer onder gelijke voorwaarden als studerenden met de Nederlandse nationaliteit in aanmerking komt voor volledige studiefinanciering.

6.3. De vraag of een student als migrerend werknemer kan worden aangemerkt, wordt door appellant voor een geval als het onderhavige beantwoord aan de hand van de “Beleidsregel van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van

17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/178031, inzake het controlebeleid migrerend werknemerschap op grond van artikel 11.5 Wet studiefinanciering 2000”, die in werking is getreden per 23 maart 2009 en die de – voor zover hier van belang (nagenoeg) gelijkluidende – “Beleidsregel controlebeleid migrerend werknemerschap” van

4 maart 2005 vervangt.

De Raad heeft eerder, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 29 juni 2009, LJN BJ1015, overwogen dat appellant met dit beleid geen onjuiste invulling heeft gegeven aan het begrip werknemer als bedoeld in artikel 39 van het EG-Verdrag. In zijn uitspraak van 24 juli 2009, LJN BJ4971, heeft de Raad geoordeeld dat dat ook geldt voor dat onderdeel van het beleid dat ziet op periodes waarin vanwege ziekte en/of vakantie niet is gewerkt, met dien verstande dat – zakelijk weergegeven – de studerende die in de controleperiode van een (kalender)jaar in één maand als gevolg van ziekte en/of vakantie slechts marginaal heeft gewerkt gelijk moet worden behandeld met de studerende die in

één maand in het geheel niet heeft gewerkt. Bij kortere controleperiodes vindt naar rato verkorting van de periode van één maand plaats.

6.4.1. In het onderhavige geval is betrokkene met ingang van 19 juli 2008 gestopt met het verrichten van betaalde arbeid in loondienst. De Raad is van oordeel dat betrokkene vanaf dat moment aan het beleid geen recht op studiefinanciering kan ontlenen. De berekening waarbij met een niet (of nauwelijks) gewerkte periode rekening wordt gehouden ter bepaling of een studerende migrerend werknemer is of niet ziet, blijkens de daaraan (telkens) door appellant gegeven uitleg, slechts op de studerende bij wie sprake is van een (korte) onderbreking binnen een studiefinancieringstijdvak. Daarvan is bij betrokkene geen sprake. Hij heeft zijn betaalde werkzaamheden immers volledig gestaakt op 19 juli 2008. In zoverre is zijn situatie op één lijn te stellen met de situatie die heeft geleid tot de eerdergenoemde uitspraak van 29 juni 2009, LJN BJ1015.

6.4.2. Van betrokkenes in hoger beroep aangevoerde stelling dat hij op 24 september 2008 met zijn stage is begonnen, zodat van een korte onderbreking moet worden gesproken, is in de gedingstukken geen overtuigend bewijs te vinden, er nog van afgezien dat de onderbreking ook in dat geval, zelfs los van de in 6.3 genoemde “verkorting”, langer heeft geduurd dan toegestaan. De beschikbare gegevens, met name het stagecontract en de door betrokkenes stagebegeleider ingevulde urenverantwoording, duiden er overigens veeleer op dat de stage niet eerder dan in oktober 2008 is begonnen.

6.4.3. Dat betrokkene, indien hij – ten minste ook – zou hebben voldaan aan de voorwaarde dat hij niet kon werken naast zijn stage, in aanmerking had kunnen komen voor studiefinanciering tijdens die stage, maakt niet dat hij over de niet gewerkte periode zijn werknemerschap heeft behouden. Ook overigens is niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat betrokkene ondanks het feit dat hij stopte met werken zijn status van migrerend werknemer heeft behouden. Weliswaar is in dit verband aangevoerd dat betrokkene met zijn (toenmalige) werkgever is overeengekomen dat de bestaande arbeidsovereenkomst wordt omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd, maar die verlenging heeft niet eerder plaatsgevonden dan op 11 september 2008, zo is af te leiden uit de door betrokkene in de aanloop van de besluiten van 20 maart 2009 bij appellant ingebrachte, van die datum zijnde “verlengingsovereenkomst”, zodat daaraan voorbij moet worden gegaan.

6.4.4. Betrokkene werd daarom vanaf 19 juli 2008 door appellant terecht niet langer beschouwd als migrerend werknemer in de zin van het door appellant gevoerde beleid. Voor afwijking van het beleid behoefde appellant naar het oordeel van de Raad in het geval van betrokkene geen aanleiding te zien. Bijzondere omstandigheden die tot zo’n afwijking nopen of aanleiding geven, acht de Raad niet aanwezig. Ook in het nationale recht ziet de Raad geen aanknopingspunt voor het oordeel dat appellant het gehanteerde 32-uurscriterium niet aan betrokkene zou mogen tegenwerpen.

6.5. Hetgeen is overwogen in 6.4.1 tot en met 6.4.4 is door de rechtbank niet onderkend. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep – voor het overige – beoordelen.

7.1. Betrokkene heeft gesteld dat hij bij een Servicekantoor van appellant informatie heeft ingewonnen over zijn recht op studiefinanciering en dat hem daar en toen is verteld dat hij in de maanden augustus en september 2008 niet behoefde te werken om zijn aanspraak op studiefinanciering vanaf augustus 2008 te behouden. Een van de gedingstukken deel uitmakende telefoonnotitie houdt evenwel in dat de medewerker met wie betrokkene op 7 oktober 2008 op het Servicekantoor heeft gesproken zich er niet over heeft uitgelaten of betrokkene voorafgaand aan zijn stage had moeten werken. Daarbij komt dat het bewijs dat betrokkene van dat bezoek heeft overgelegd, dateert van 7 oktober 2008, zodat – ongeacht de strekking van de mededeling van de medewerkster van het Servicekantoor – naar het oordeel van de Raad niet kan worden gezegd dat betrokkene daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij in augustus en september 2008 niet zou behoeven te werken om zijn recht op studiefinanciering te behouden; hij heeft zijn beslissing om te stoppen met werken daarop niet afgestemd.

7.2. De Raad is niet gebleken dat betrokkene op enig moment in de periode waarover de herziening zich uitstrekt de status van migrerend werknemer heeft herkregen. Weliswaar kunnen ook studenten die stage lopen worden beschouwd als migrerend werknemer, maar daarvoor moet wel – ook – zijn voldaan aan de voorwaarde dat tegenover de stagewerkzaamheden een vergoeding staat, hetgeen bij betrokkene niet het geval was. In dit verband wijst de Raad op bijvoorbeeld de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 3 juli 1986 (zaak C-66/85).

7.3. Als gevolg van de herziening van de besluiten tot toekenning van studiefinanciering is er tevens een vordering ontstaan in verband met onterecht bezit van de OV-studentenkaart. Betrokkene heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan appellant naar het oordeel van de Raad zou moeten aannemen dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, als bedoeld in artikel 3.27, vierde lid, van de Wsf 2000. De vordering is daarom terecht opgelegd.

7.4. Hetgeen is overwogen in 6.1 tot en met 7.3 leidt tot de conclusie dat de eerdere toekenningsbesluiten over 2008 en 2009 onjuist waren en dat appellant bevoegd was deze te herzien. De herziening is bij het besluit van 27 mei 2009 terecht gehandhaafd. Uit hetgeen is overwogen in 7.1 tot en met 7.3 volgt dat het door betrokkene tegen het besluit van 27 mei 2009 bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 27 mei 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM