Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
10-1401 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door de Raad is ambtshalve de ontvankelijkheid van beroep en bezwaar beoordeeld. 1) De rechtbank heeft terecht appellants beroep ontvankelijk geacht, aangezien appellant wat de beroepstermijn betreft op het verkeerde been is gezet, zodat de overschrijding van de termijn ten opzichte van het besluit op bezwaar van 3 maart 2009 verontschuldigbaar is te achten. 2) Het adres waarnaar de besluiten van 10 maart 2006 zijn verzonden was correct en er is sprake van ongeloofwaardige ontkenning door appellant van de ontvangst door hem van die besluiten. De ontvangst en de verzending zijn genoegzaam aannemelijk. Geen redenen ter verontschuldiging van de overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken die daags na de verzending van de besluiten van 10 maart 2006 op diezelfde datum is gaan lopen. Zowel de Minister als de rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat de namens appellant op 16 januari 2009 tegen die besluiten ingediende bezwaarschriften ontvankelijk zijn. Bezwaar wordt wegens onverschoonbare termijnoverschrijding alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1401 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 januari 2010, 09/1200 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is aan de orde een uitspraak over een door de IB-Groep genomen besluit. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van die wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Mr. H.M. Mauritz, advocaat te Utrecht, heeft namens appellant hoger beroep ingesteld en de Minister heeft verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mauritz. Voor de Minister is verschenen mr. P.E. Merema.

II. OVERWEGINGEN

1. Per 1 november 2004 heeft de Minister aan appellant op diens aanvraag, ervan uitgaande dat juist is de opgave daarbij door appellant dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft, studiefinanciering toegekend.

2. Bij besluiten van 10 maart 2006, 2004/6, 2005/11 en 2006/6, is - bij wege van herziening op grond van artikel 7.1, tweede lid, onder a, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), al is die bepaling er niet bij vermeld - vastgesteld dat appellant per 1 november 2004, 1 januari 2005 respectievelijk 1 januari 2006 geen recht op studiefinanciering heeft.

3. Bij op 16 januari 2009 bij de Minister ingekomen faxbrieven heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 10 maart 2006, 2005/11 en 2006/6.

4. Bij besluit van 3 maart 2009 heeft de Minister appellants bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2006, 2005/11, gegrond verklaard in zoverre dat aan hem (in verband met de door hem in de bezwaarfase ingebrachte kopie van de aan hem op 3 september 2008 verleende vergunning tot verblijf, geldig tot 4 augustus 2008, onder overweging dat studiefinanciering niet wordt toegekend over een vóór de datum van indiening van de aanvraag gelegen periode) per 1 februari 2009 studiefinanciering is toegekend en voor het overige ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen het besluit op bezwaar van 3 maart 2006 ongegrond verklaard.

Samengevat heeft de rechtbank daartoe overwogen dat na controle vanwege de Minister is vastgesteld dat appellant van 1 november 2004 tot 31 juli 2006 de Nederlandse nationaliteit niet bezat en ook overigens niet voldeed aan de nationaliteitseis (omdat aan hem niet een vergunning tot verblijf in Nederland was verleend). Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake en vanwege het ontbreken van een vergunning tot verblijf kon geen toepassing worden gegeven aan de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 vervatte zogenoemde hardheidsclausule.

6. In hoger beroep heeft appellant herhaald hetgeen hij in beroep had aangevoerd.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1. Allereerst is - ambtshalve - aan de orde de vraag of de rechtbank appellant terecht (stilzwijgend) in beroep tegen het besluit op bezwaar van 3 maart 2009 ontvankelijk heeft geacht. Immers, het beroep tegen dat op 3 maart 2009 genomen en (naar valt aan te nemen) ook verzonden besluit is eerst ingesteld bij op 23 april 2009 bij de rechtbank ingekomen faxbrief van diezelfde datum, ten opzichte van dat besluit met overschrijding van de beroepstermijn van zes weken.

De Minister heeft onderaan dat besluit wat de mogelijkheid van beroep daartegen betreft verwezen naar “het Bericht”, waarmee kennelijk is gedoeld op vier nog komende Berichten Studiefinanciering, alle daterend van 13 maart 2009. Onder die berichten is vermeld dat daartegen beroep kan worden ingesteld vóór 24 april 2009.

Aangezien appellant dusdoende wat de beroepstermijn betreft op het verkeerde been is gezet, is de overschrijding van die termijn ten opzichte van het besluit op bezwaar van 3 maart 2009 verontschuldigbaar te achten en heeft de rechtbank terecht appellants beroep ontvankelijk geacht.

7.2. Vervolgens is - evenzeer ambtshalve - aan de orde de vraag of de rechtbank appellant terecht in bezwaar tegen de (primaire) besluiten van 10 maart 2006 ontvankelijk heeft geacht. Immers, het bezwaar tegen die besluiten is eerst ingesteld bij op 16 januari 2009 bij de Minister ingekomen faxbrieven van daags daarvoor.

7.2.1. In artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift ingaat op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb dat de bekendmaking van tot een of meer belanghebbenden gerichte besluiten geschiedt door toezending of uitreiking aan hen.

7.2.2. Appellant heeft in zijn bezwaarschriften aangevoerd dat, indien de besluiten van 10 maart 2006 toen aan hem zijn verzonden, hij die toen niet heeft ontvangen en niet eerder onder ogen heeft gehad dan nadat een afschrift daarvan op 30 december 2008 door de Minister aan zijn gemachtigde bekend is gemaakt. De Minister heeft, zonder dat uit de gedingstukken kan blijken dat daarnaar onderzoek is ingesteld, in het besluit op bezwaar van 3 maart 2009 overwogen als door appellant in zijn bezwaarschriften aangevoerd en ontvankelijkheid aangenomen.

7.2.3. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank op 10 december 2009 is deze ontvankelijkheidskwestie daar en toen aan de orde geweest.

Appellants gemachtigde heeft verklaard dat appellant de besluiten van 10 maart 2006 toen niet heeft ontvangen, omdat hij het land is uitgezet en hij ook geen adreswijziging heeft kunnen doorgeven. Appellant zelf heeft verklaard dat hij niet op die besluiten heeft kunnen reageren, omdat hij in vreemdelingenbewaring zat. De Minister heeft verklaard voor het eerst te horen dat appellant die besluiten niet heeft ontvangen omdat hij het land is uitgezet en de vraag gesteld voor wiens risico dat komt.

7.2.4. De rechtbank heeft appellant in beroep ontvankelijk geacht zonder aan de ontvankelijkheidskwestie in de aangevallen uitspraak een overweging te wijden.

7.2.5. Bij brief van 24 september 2010 heeft de Raad de Minister gevraagd om nader te onderbouwen hoe hij tot ontvankelijkheid in bezwaar is gekomen.

Bij brief van 28 september 2010 heeft de Minister hierop als volgt gereageerd: “Nu niet is gebleken van een ongeloofwaardige ontkenning van ontvangst is als bekendmakingsdatum van dit besluit aangemerkt de datum waarop dit besluit aan de gemachtigde van appellant is verzonden, namelijk 23 december 2008. Nu het bezwaarschrift binnen de wettelijke bezwaartermijn van zes weken na 23 december 2008 is ingediend is het bezwaarschrift ontvankelijk verklaard.”.

Ter zitting van de Raad heeft de Minister desgevraagd nader verklaard dat blijkens een zich in zijn dossier bevindende telefoonnotitie in januari 2006 met de politie te Nieuwegein (als appellants adres was sinds de aanvraag bekend [adres] te [naam gemeente]) is besproken dat appellant illegaal in Nederland is, geen les meer volgt en naar het land van herkomst wordt teruggezonden. Dat betekent, aldus de Minister ter zitting van de Raad, dat, alvorens over te gaan tot verzending van de besluiten van 10 maart 2006, had moeten worden geverifiëerd of appellants adres nog juist was en dat de op 16 januari 2009 ingediende bezwaarschriften dus terecht ontvankelijk zijn geacht.

7.2.6. De Raad kan zich in dat standpunt van de Minister niet vinden, omdat in een van de gedingstukken deel uitmakende brief van 23 december 2008 aan appellants gemachtigde de Minister onder meer heeft opgemerkt dat appellant op 27 februari 2006 op het servicekantoor in Utrecht alsnog een onderwijskaart voor het schooljaar 2005-2006 en een bewijs van inschrijving heeft verstrekt.

Van de gedingstukken maakt ook deel uit een aan appellant op het adres [adres] te [naam gemeente] gerichte brief van 9 maart 2006 waarin de Minister onder meer heeft aangegeven dat appellant op het servicekantoor van de Informatie Beheer Groep in Utrecht is geweest en daar een kopie van zijn onderwijskaart voor het schooljaar 2005/2006 alsook een verklaring van inschrijving van ROC ASA heeft ingeleverd en waarbij de Minister appellant heeft gevraagd nadere gegevens te verstrekken met betrekking tot zijn nationaliteit en verblijfspositie.

7.2.7. Uit de gedingstukken, noch uit de telefoonnotitie waarover de Minister beschikt en waarvan de Minister eerst ter zitting van de Raad gewag heeft gemaakt alsook de inhoud heeft voorgelezen, is af te leiden dat appellant op 10 maart 2006 niet meer woonachtig was op het adres [adres] te [naam gemeente], waaraan de besluiten van 10 maart 2006 zijn gericht. Van andere op de zaak betrekking hebbende stukken die door de Minister niet zijn overgelegd, is de Raad niet kunnen blijken. Dat de besluiten van 10 maart 2006 toen naar het evenvermelde adres zijn verzonden, is niet betwist. Appellant heeft desgevraagd ter zitting van de Raad verklaard niet meer te weten wanneer hij zich in vreemdelingenbewaring heeft bevonden en wanneer hij Nederland is uitgezet. Indien wordt aangenomen dat appellant in of kort na januari 2006 naar het land van herkomst is teruggezonden en ook wordt aangenomen dat hij vervolgens - al dan niet uitgezet - daadwerkelijk Nederland heeft verlaten, valt uit zijn aanwezigheid ten kantore van de Informatie Beheer Groep te Utrecht op 27 februari 2006 af te leiden dat hij in ieder geval op 27 februari 2006 weer in Nederland was teruggekeerd. Er is geen enkel concreet gegeven voorhanden waaruit is af te leiden dat appellant op 10 maart 2006 niet meer woonachtig was op het adres [adres] te [naam gemeente] of waaraan enige tot nader onderzoek aanleiding gevende twijfel aan de juistheid van dat woonadres is te ontlenen.

8. Gelet op het in 7.2.7 overwogene is de Raad van oordeel dat het adres [adres] te [naam gemeente] waarnaar de besluiten van 10 maart 2006 toen zijn verzonden correct was en dat evident sprake is van ongeloofwaardige ontkenning door appellant van de ontvangst toen door hem van die besluiten. De ontvangst toen van die besluiten op en bijgevolg de verzending toen van die besluiten aan het evenvermelde adres van appellant zijn dan ook genoegzaam aannemelijk.

Aangezien voorts niet is kunnen blijken van redenen ter verontschuldiging van de overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken die daags na de verzending van de besluiten van 10 maart 2006 op diezelfde datum is gaan lopen, is de Raad van oordeel dat zowel de Minister als de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de namens appellant op 16 januari 2009 tegen die besluiten ingediende bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

9. Uit het in 8 overwogene volgt dat zowel de aangevallen uitspraak als het besluit op bezwaar van 3 maart 2009 dient te worden vernietigd en dat appellants bezwaarschriften van 16 januari 2009 wegens onverschoonbare termijnoverschrijding alsnog niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

10. In verband met het in 9 overwogene ziet de Raad aanleiding de Minister te veroordelen in de kosten van de in beroep (beroepschrift en zitting à € 322,--) en in hoger beroep (hoger beroepschrift en zitting à € 437,--) aan appellant verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.518,--. Van andere voor vergoeding aan appellant in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet kunnen blijken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het besluit op bezwaar van 3 maart 2009;

Verklaart de bezwaarschriften van appellant van 16 januari 2009 niet-ontvankelijk;

Veroordeelt het de Minister in appellants proceskosten in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.518,--;

Bepaalt dat de Minister aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 148,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

IvR