Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
09-6990 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag. Volgens de Svb wordt de dochter geacht te behoren tot het huishouden van de moeder, zodat appellant geen recht op kinderbijslag heeft. Feitelijk verblijf. Met inbegrip van de vakantieweken - in de betreffende kwartalen zal het daarbij gaan om de herfst-, kerst- en crocusvakanties - valt bij een globale beschouwing van de berekening van appellant zeker niet uit te sluiten dat de feitelijke verdeling van het verblijf van de dochter bij appellant of bij de moeder op een vrijwel gelijk aantal nachten uitkomt. Vernietiging besluit wegens onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 18
Samenloopbesluit kinderbijslag
Samenloopbesluit kinderbijslag 5a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6990 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2009, 08/2120 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft van verweer gediend. Hierop heeft appellant – onder overlegging van een bijlage – gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2010.

Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant was tot 29 augustus 2007 gehuwd met [B.] en destijds woonachtig op Terschelling. Uit dit huwelijk is [in] 1990 zoon [J.] en [in] 1994 dochter [B.] geboren. Appellant heeft een op 6 oktober 2007 gedateerde aanvraag voor kinderbijslag voor beide kinderen ingediend en daarbij aangegeven dat hij sinds

januari 2007 gescheiden leeft van [B.].

2.1. Na een aanvankelijke weigering van kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 2007 bij besluit van 11 februari 2008, heeft de Svb bij besluit op bezwaar van 5 augustus 2008 - onder gedeeltelijk gegrondverklaring van het bezwaar - aan appellant kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2007 en het eerste kwartaal van 2008 toegekend voor [J.] en de weigering van kinderbijslag over deze kwartalen voor [B.] gehandhaafd.

2.2. Aan het besluit van 5 augustus 2008 ligt ten grondslag de overweging dat [B.] op maandagochtend van Terschelling naar school in Harlingen gaat en in de periode van schoolgaan het merendeel van de voor de nachtrust bestemde tijd, namelijk van maandag- tot en met donderdagnacht bij haar moeder in Harlingen doorbrengt. Vrijdagmiddag gaat [B.] weer terug naar Terschelling. Volgens de Svb wordt [B.] dan ook geacht te behoren tot het huishouden van de moeder, reden waarom appellant voor [B.] geen recht op kinderbijslag heeft.

3.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 5 augustus 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.2. De rechtbank heeft vooropgesteld dat het bestreden besluit alleen betrekking heeft op kinderbijslag voor [B.] over het vierde kwartaal van 2007 en het eerste kwartaal van 2008 en zag geen aanleiding voor bijzondere omstandigheden die toekenning van kinderbijslag met terugwerkende kracht zou kunnen rechtvaardigen.

3.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat [B.] in de periode dat zij naar school gaat op weekbasis het merendeel van de nachten bij haar moeder doorbrengt, hetgeen door appellant op zichzelf ook niet is betwist. Appellant heeft echter berekend dat [B.] op jaarbasis de meeste nachten bij hem doorbrengt omdat zij buiten de schoolperioden in beginsel geheel op Terschelling verblijft. De rechtbank heeft de berekening van appellant buiten beschouwing gelaten omdat, gezien de wet en de jurisprudentie, het standpunt van de Svb dat in dit verband het normale weekpatroon doorslaggevend is, niet onjuist moet worden geacht. Volgens de rechtbank nam de Svb derhalve terecht aan dat [B.] in de in geding zijnde kwartalen niet behoorde tot het huishouden van appellant.

4.1. In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn berekening over het verblijf van [B.], welke berekening per kwartaal is uitgesplitst, buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens deze berekening bracht [B.] in het vierde kwartaal van 2007 49 nachten door op Terschelling en 44 nachten in Harlingen, terwijl zij in het eerste kwartaal van 2008 48 nachten op Terschelling verbleef en 43 nachten in Harlingen. Op grond van deze berekening staat volgens appellant vast dat [B.] feitelijk tot zijn huishouden behoorde. Voorts heeft appellant verzocht tevens het tweede en het derde kwartaal van 2008 in de beoordeling te betrekken.

4.2. De Svb heeft in zijn verweerschrift het standpunt gehandhaafd dat moet worden uitgegaan van het normale weekpatroon. Voorts heeft de Svb gesteld dat inmiddels een primair besluit was genomen over het recht op kinderbijslag voor [B.] vanaf het tweede kwartaal van 2008, dat het bezwaar hiertegen bij besluit van 13 november 2008 ongegrond is verklaard en dat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

5.1. De Raad stelt vast dat appellant ter zitting het bestaan van de door de Svb in het verweerschrift genoemde besluitvorming vanaf het tweede kwartaal van 2008 niet heeft bestreden en dat tegen die besluitvorming geen beroep is ingesteld. Voorts is ter zitting gebleken dat appellant niet langer vasthoudt aan verlening van kinderbijslag met terugwerkende kracht. Gelet op een en ander stelt de Raad vast dat de rechtbank met juistheid de reikwijdte van het bestreden besluit heeft beperkt tot hetgeen in overweging 3.2 van deze uitspraak is weergegeven.

5.2. De Raad overweegt dat de familiekamer van de rechtbank op 29 augustus 2007 bij voorlopige voorziening heeft bepaald dat [B.] aan appellant wordt toevertrouwd en dat appellant ten behoeve van verzorging en opvoeding van [B.] € 270,-- per maand aan [B.] betaalt. Daarbij is onder meer overwogen dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun hoofdverblijf op Terschelling hebben, dat sprake is van co-ouderschap en dat, nu [B.] een groot gedeelte van de kosten van de kinderen voor haar rekening neemt, appellant in staat wordt geacht de in de voorlopige voorziening opgenomen bijdrage te betalen. Voorts heeft appellant op een informatieformulier van 28 november 2007 aangegeven dat [B.] alle schoolvakanties op Terschelling bij hem verblijft en dat er geen sprake is van co-ouderschap omdat [B.] weigert afspraken te maken en het echtscheidingsconvenant te tekenen. Bij beschikking van 13 februari 2008 heeft de rechtbank onder andere bepaald dat het hoofdverblijf van [B.] bij appellant zal zijn en voorts de beslissing over de overige vorderingen van appellant aangehouden. Deze betroffen onder andere de verdeling van de kosten van de kinderen en het opstellen van een ouderschapsplan. Op een op 4 mei 2008 ondertekend vragenformulier heeft [B.] haar visie gegeven over het verblijf van onder andere [B.]. Ter hoorzitting van 1 juli 2008 heeft appellant met nadruk gesteld dat [B.] alleen tijdens de schoolweken het merendeel van de tijd bij [B.] doorbracht en dat zij tijdens de weekeinden en vakanties bij hem verbleef. In een telefoonrapport van een gesprek op 3 juli 2008 is vermeld dat [B.] heeft gesteld dat sprake is van co-ouderschap. Voorts vroeg zij zich af hoe zij moet bewijzen dat de kinderen het merendeel van de tijd bij haar zijn. Verder stelde [B.] dat juist appellant niet wilde meewerken aan het co-ouderschap. Namens de Svb is gesteld dat [B.] de gelegenheid krijgt op het verslag van de hoorzitting te reageren, hetgeen blijkens een brief van 3 juli 2008 aan [B.] voor 1 augustus 2008 zou moeten plaatsvinden. Uit de stukken blijkt niet dat [B.] een reactie heeft ingezonden.

5.3. De Raad stelt vast dat, hoewel in de beschikking van de rechtbank van 29 augustus 2007 sprake is van co-ouderschap, uit de overige in overweging 5.2 vermelde gegevens valt af te leiden dat dit co-ouderschap in de praktijk kennelijk niet in die zin van de grond is gekomen dat er daadwerkelijke afspraken over de invulling daarvan zijn gemaakt en dat geen ouderschapsplan is opgesteld. Voorts komt uit de beschikbare gegevens, waarbij de Raad met name wijst op de in overweging 5.2 vermelde beschikking van de rechtbank van 13 februari 2008, naar voren dat er, afgezien van de in de beschikking van 29 augustus 2007 bepaalde bijdrage van appellant, in elk geval ten aanzien van de in geding zijnde kwartalen nog geen kostenverdeling van het onderhoud tot stand was gekomen. In zoverre kan naar het oordeel van de Raad niet zonder meer worden gezegd dat in de in geding zijnde kwartalen feitelijk sprake was een situatie van co-ouderschap waarop artikel 5a, eerste lid, van het ter uitvoering van de leden twee, vier en vijf van artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en op basis van het zesde lid van artikel 18 getroffen Samenloopbesluit Kinderbijslag ziet.

5.4. Naast overweging 5.3 stelt de Raad ook vast dat kennelijk wel sprake was van een feitelijke invulling van het verblijf van [B.] bij appellant en [B.] in de betreffende kwartalen. In zoverre kan naar het de Raad voorkomt, ondanks overweging 5.3, ten minste worden gesproken van een met co-ouderschap vergelijkbare situatie. Weliswaar verschillen appellant en [B.] blijkens overweging 5.2 aanvankelijk van mening over die feitelijke invulling, maar daartoe in de gelegenheid gesteld door de Svb heeft [B.] op de uiteenzetting ter hoorzitting door appellant over dat verblijf niet meer gereageerd. Uitgaande van deze uiteenzetting van appellant, die uitwerking vond in de in beroep en hoger beroep overgelegde berekening van appellant betreffende het verblijf van [B.] in de in geding zijnde kwartalen, valt naar het oordeel van de Raad niet zonder meer te begrijpen dat de Svb alleen de verdeling van het verblijf in de reguliere schoolweken tot uitgangspunt heeft genomen, welk uitgangspunt de rechtbank onderschreef, en dat vakantieweken niet mede worden geacht deel uit te maken van het normale weekpatroon. Met inbegrip van de vakantieweken - in de betreffende kwartalen zal het daarbij gaan om de herfst-, kerst- en crocusvakanties - valt bij een globale beschouwing van de berekening van appellant zeker niet uit te sluiten dat de feitelijke verdeling van het verblijf van [B.] bij appellant of [B.] op een vrijwel gelijk aantal nachten uitkomt.

5.5. Gelet op hetgeen in de overwegingen 5.2 en 5.4 is overwogen over de verdeling van de kosten van het onderhoud van [B.] respectievelijk haar feitelijk verblijf in de in geding zijnde kwartalen, is de Raad, als het gaat om de vraag tot wiens huishouden [B.] behoorde, van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en mede daardoor ondeugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit dient daarom wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. De aangevallen uitspraak deelt in het lot van het bestreden besluit. De Svb zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad. Daarbij dient de Svb zich, gezien overweging 5.4, mede te beraden over de vraag of, indien kan worden gesproken van een met een co-ouderschap vergelijkbare situatie in de in geding zijnde kwartalen, een verdeling van de kinderbijslag over appellant en [B.] in die kwartalen in de rede had gelegen.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

TM