Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
10-4095 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige en deugdelijke medische grondslag. Met betrekking tot de longklachten stelt de Raad vast dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge van 11 augustus 2008 blijkt dat zij bij lichamelijk onderzoek geen afwijkende bevindingen aan de longen heeft vastgesteld. Met betrekking tot de terugkerende bloedarmoede door menstruatieklachten overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts hiermee bekend was en heeft geconcludeerd dat appellante verminderd belastbaar is in energetisch opzicht. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante onder meer (licht) beperkt geacht voor tillen en trappenlopen. Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts bij het onderdeel frequent buigen de kanttekening geplaatst dat appellante wat beperkt is in meer dan 90 graden buigen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante meer beperkt is dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. De Raad deelt eveneens het oordeel van de rechtbank dat appellante, met inachtneming van haar medische beperkingen, in staat moet worden geacht per 21 augustus 2006 haar maatgevende arbeid van schoonmaakster gedurende 30 uur per week te kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4095 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2010, 08/3314 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Goettsch en vergezeld door tolk E. Battaloglu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf 21 augustus 2006 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 7 augustus 2007 heeft het Uwv het door appellante hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 juni 2008 het beroep van appellante tegen het besluit van 7 augustus 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. De rechtbank was van oordeel dat het besluit van 7 augustus 2007 op een ondeugdelijke medische grondslag berustte omdat de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft gewijzigd zonder appellante zelf te onderzoeken.

1.3. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het Uwv een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek verricht, waarbij de bezwaarverzekeringsarts appellante heeft onderzocht en de beschikbare medische informatie van de behandelend artsen bij de beoordeling heeft betrokken. Bij besluit van 6 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2007 (opnieuw) ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellante per 21 augustus 2006 geschikt is voor haar maatgevende arbeid als schoonmaakster voor 30 uur per week.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke en zorgvuldig tot stand gekomen medische grondslag is gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv ook voldoende toegelicht dat appellante, met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen, in staat moet worden geacht per 21 augustus 2006 haar maatgevende arbeid te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv en de rechtbank haar medische klachten hebben onderschat. Appellante heeft ernstige astma waardoor zij sterk reageert op stof en luchtjes. Zij heeft nog meer medische klachten (sterk bloedverlies) en heeft ook daardoor energetische beperkingen. Appellante is tevens van mening dat de brief van haar huisarts Van Maanen-Thiel van 27 maart 2009 verkeerd wordt uitgelegd. Volgens appellante blijkt uit deze brief dat de combinatie van klachten en beperkingen maakt dat haar belastbaarheid beperkter is dan door het Uwv en de rechtbank wordt aangenomen. Appellante acht zichzelf niet in staat om met deze beperkingen haar eigen arbeid als schoonmaakster te verrichten.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige en deugdelijke medische grondslag.

4.2. Met betrekking tot de longklachten stelt de Raad vast dat uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van Zalinge van 11 augustus 2008 blijkt dat zij bij lichamelijk onderzoek geen afwijkende bevindingen aan de longen heeft vastgesteld. Uit de informatie van de behandelend longarts Visschers komt naar voren dat de Phadiatop negatief was, hetgeen betekent dat er geen sprake is van allergie├źn, zoals stof. Uit een longfunctieonderzoek in 2005 is evenwel gebleken dat appellante een lichte obstructieve stoornis heeft zonder tekenen van reversibiliteit na inhalatie met Ventolin. Verder heeft deze longarts geconstateerd dat sprake is van normale statische longvolumia en normale CO-diffusiebepaling. De prognose van haar astma bronchiale moet volgens hem als gunstig worden ingeschat. Op basis van deze gegevens, met name de lichte obstructieve stoornis, heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat appellante niet overmatig mag worden blootgesteld aan prikkelende stoffen, zoals sigarettenrook, parfums of bak- en braadluchtjes, chloor- en ammoniakdampen, benzinedampen en uitlaatgassen. De bezwaarverzekeringsarts acht verder van belang dat appellante blijft bewegen en dat de neiging om lichamelijke inspanning te vermijden in de hoop minder snel kortademig te worden onjuist is.

4.3. Met betrekking tot de terugkerende bloedarmoede door menstruatieklachten overweegt de Raad dat de bezwaarverzekeringsarts hiermee bekend was en heeft geconcludeerd dat appellante verminderd belastbaar is in energetisch opzicht. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante onder meer (licht) beperkt geacht voor tillen en trappenlopen.

4.4. Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts bij het onderdeel frequent buigen de kanttekening geplaatst dat appellante wat beperkt is in meer dan 90 graden buigen.

4.5. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante meer beperkt is dan door het Uwv en de rechtbank is aangenomen. Weliswaar heeft de huisarts Van Maanen-Thiel in haar brief van 27 maart 2009 vermeld dat de combinatie van problemen zeer beperkend is en dat appellante zeer beperkt is in haar beweeglijkheid, maar anders dan appellante leidt de Raad hieruit niet af dat de huisarts vindt dat de combinatie van klachten en beperkingen maakt dat haar belastbaarheid beperkter is dan door het Uwv is gesteld. De huisarts heeft in haar brief juist opgemerkt dat appellante zich voor een oordeel over haar belastbaarheid tot haar longarts moet wenden. Appellante heeft echter geen aanvullende medische informatie van haar longarts in geding gebracht. Wat betreft de reeds in beroep overgelegde informatie van de longarts, betreffende de ziekenhuisopname van appellante van 15 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008, heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze informatie geen ander licht op de zaak werpt omdat daaruit geen verdere beperkingen blijken dan met name nachtelijke hoestklachten en deze informatie bovendien relevantie mist omdat de periode van opname te ver verwijderd is van de datum in geding. Ten slotte overweegt de Raad dat appellante ook geen gynaecologische informatie heeft overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat zij energetisch meer is beperkt dan het Uwv en de rechtbank hebben aangenomen.

4.6. De Raad deelt eveneens het oordeel van de rechtbank dat appellante, met inachtneming van haar medische beperkingen, in staat moet worden geacht per 21 augustus 2006 haar maatgevende arbeid van schoonmaakster gedurende 30 uur per week te kunnen verrichten.

4.7. De Raad is niet gebleken dat appellante in haar arbeid bovenmatig wordt blootgesteld aan prikkelende stoffen. Het kantoorpand waar appellante moet werken beschikt over een marmoleum vloer die eenvoudig stofvrij is te houden, niet gebleken is dat appellante gebruik moet maken van sterk prikkelende schoonmaakmiddelen zoals chloor en/of ammoniak en appellante hoeft ook niet langdurig in rokerige ruimten te verkeren. Weliswaar dient appellante bij het schoonmaken van de trap centraal in het gebouw trappen te lopen, maar zij heeft hier enige vrijheid bij het indelen van haar werkzaamheden omdat het een sleutelpand betreft. Bij het schoonhouden van de toiletten dient appellante meer dan 60 graden te buigen, maar dit komt weinig voor. Afgezien daarvan zou appellante bij deze werkzaamheden zonodig ook even kunnen knielen. Ten slotte acht de Raad niet aannemelijk dat appellante emmers zou moeten tillen van meer dan 10 kilogram.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. Venneman.

NK