Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
10-4153 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 2 april 2009 voldoende overtuigend heeft weersproken dat appellante geen benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft in rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkheden Lijst meer beperkingen aangenomen. Niet is gebleken dat haar arbeidsmogelijkheden daarmee zijn overschat. Met betrekking tot de geduide functies overweegt de Raad dat het Uwv in hoger beroep heeft erkend dat de toelichting omtrent de passendheid van die functies niet volledig is geweest. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in hoger beroep een aanvullende toelichting gegeven. De Raad acht deze toelichting toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4153 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juni 2010, 09/2331 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft zelf nog een aanvullende toelichting gegeven.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 12 november 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij met ingang van 13 januari 2009 geen uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) meer ontvangt, omdat zij met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2. Bij besluit van 20 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was samengevat van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit het rapport van de behandelend psycholoog Brania van 30 maart 2009 blijkt dat zij niet in staat is om bedrijfsmatige werkzaamheden te verrichten. Appellante heeft de Raad verzocht te bepalen dat zij met ingang van 13 januari 2009 onveranderd recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat uit de rapportage van 2 april 2009 blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts de door hem opgevraagde informatie van de behandelend psycholoog Brania van 30 maart 2009 bij zijn beoordeling heeft betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft het standpunt van de behandelend psycholoog, dat appellante met rust moet worden gelaten en dat de bestaande situatie de hoogst haalbare oplossing is, gemotiveerd bestreden. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 2 april 2009 voldoende overtuigend heeft weersproken dat appellante geen benutbare arbeidsmogelijkheden heeft. De bezwaarverzekeringsarts heeft in rubrieken 1 en 2 van de Functionele Mogelijkheden Lijst meer beperkingen aangenomen. Niet is gebleken dat haar arbeidsmogelijkheden daarmee zijn overschat.

4.2. Met betrekking tot de geduide functies overweegt de Raad dat het Uwv in hoger beroep heeft erkend dat de toelichting omtrent de passendheid van die functies niet volledig is geweest. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in hoger beroep een aanvullende toelichting gegeven. De Raad acht deze toelichting toereikend.

4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Aangezien de passendheid van de geduide functies pas in hoger beroep voldoende is toegelicht ziet de Raad redenen het Uwv te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 437,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 759,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 759,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. Venneman.

NK