Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
10-1449 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Juiste medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1449 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 3 februari 2010, 09/960 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 mei 2009 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, de WAO-uitkering van appellante met ingang van 27 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 5 mei 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat het besluit van 5 mei 2009 op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gedingstukken geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellante per 27 maart 2009. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 4 mei 2009 voldoende duidelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies voor appellante geschikt zijn.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar klachten sinds 1996 zijn toegenomen en dat zij nog steeds voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is.

3.2. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat het medische onderzoek niet volledig is geweest nu de verzekeringsarts op 4 mei 2008 geen lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd. Dat de bezwaarverzekeringsarts aanvullend lichamelijk onderzoek heeft gedaan betekent niet dat er sprake is van een zorgvuldig onderzoek.

3.3. Appellante wijst tevens naar de door haar overgelegde informatie van de reumatoloog M. Vis. Deze heeft op grond van röntgenonderzoek degeneratieve afwijkingen van de wervelkolom vastgesteld, naast de al eerder gestelde diagnose fibromyalgie. De behandeling die appellante op verwijzing van Vis heeft ondergaan bij C.M. Brandt, arts voor ortho manuele geneeskunde, heeft niet tot het gewenste resultaat geleid.

3.4. Ten slotte heeft appellante aangevoerd dat zich onder de geduide functies te weinig parttime arbeidsplaatsen bevinden.

4.1. De Raad stelt vast dat de in hoger beroep aangevoerde gronden grotendeels een herhaling zijn van hetgeen appellante in beroep al heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank die gronden afdoende besproken en heeft zij genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. Ook de Raad acht het onderzoek door verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts tezamen voldoende en wijst erop dat ook rekening is gehouden met informatie van de huisarts en de bij hem bekende bevindingen van reumatoloog Vis van het Jan van Breemen Instituut.

4.2. Hetgeen overigens in hoger beroep aan nieuwe medische informatie is ingebracht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad kan zich vinden in het door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 22 april 2010 ingenomen standpunt. De door Vis en Brandt aangegeven diagnoses waren bekend bij de (bezwaar)verzekeringsartsen en in de Functie Mogelijkheden Lijst is daarmee rekening gehouden.

4.3. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd ter zake van de arbeidskundige grondslag van het besluit geen doel treft. De Raad kan zich vinden in de ter zake door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 23 april 2010 gegeven reactie. In elke SBC-code komt namelijk minimaal één parttime functie voor.

4.4. Het hoger beroep van appellante treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. Venneman.

IvR