Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
27-01-2011
Zaaknummer
10-6482 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing voorlopige voorziening. Een redelijke uitleg van de regeling voor medewerkers ouder dan 50 jaar in het licht van de (landelijke) regeling voor 55-plussers brengt mee dat in alle gevallen bij een verzoek om ontheffing van de nachtdiensten een afweging dient te worden gemaakt tussen het belang van een medewerker en het dienstbelang. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat in alle gevallen een verzoek om nachtdienstontheffing zou moeten worden toegestaan, hetgeen de politieorganisatie voor onoverkomelijke problemen zou stellen, zeker indien de opvatting van betrokkene zou worden gevolgd dat ook alle 55-plussers onder de ruimere regeling vallen aangezien zij ook ouder zijn dan 50 jaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank dus ten onrechte overwogen dat het verzoek van betrokkene om volledige nachtdienstontheffing niet mocht worden getoetst aan het (zwaarwegend) dienstbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6482 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Korpsbeheerder van de politie [regio], (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2010, 09/3507 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

verzoeker

Datum uitspraak: 20 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V.U.C.I. Duran en P.C. de Jongh, beiden werkzaam bij de korpsbeheerder van de politie [regio]. Betrokkene is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is als centralist werkzaam bij Regionale Meldkamer van de politieregio [regio]. Op 8 december 2008 heeft zij een verzoek ingediend om volledige nachtdienstontheffing als bedoeld in paragraaf 16 van de Kaderregeling Arbeid en Zorg van de politie [regio] van 1 juli 2008 (hierna: kaderregeling). Op 23 maart 2009 heeft verzoeker betrokkene meegedeeld voornemens te zijn het verzoek af te wijzen. Daartegen heeft betrokkene een zienswijze ingediend.

1.2. Bij besluit van 18 juni 2009 heeft verzoeker het verzoek van betrokkene om volledige nachtdienstontheffing afgewezen.

1.3. Bij besluit van 3 november 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft verzoeker het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en verzoeker opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat in de kaderregeling in de alinea met de kop “Nachtdienstontheffing binnen de politie [regio]” is weergegeven hoe het beleid van de politie [regio] ten aanzien van de nachtdienstontheffing luidt. De rechtbank ziet hierin met betrokkene een verruiming ten opzichte van de landelijke regeling, zowel ten aanzien van de leeftijd van de politieambtenaar als ten aanzien van de toetsing aan het dienstbelang. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker het verzoek van betrokkene dus ten onrechte heeft getoetst aan het dienstbelang en om die reden ten onrechte heeft afgewezen.

2.1. In verband daarmee heeft verzoeker een verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen totdat uitspraak is gedaan in hoger beroep. Als spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd dat de aangevallen uitspraak meebrengt dat voor de meldkamer direct vrijwel een onmogelijke situatie ontstaat voor wat betreft de roosterplanning. Volgens verzoeker legt een volledige nachtdienstontheffing voor betrokkene een onevenredig grote en zeer onwenselijke werkdruk op de overige medewerkers van de meldkamer. Toekenning van de ontheffing aan betrokkene levert al 24 extra te verdelen uren nachtdienst op. Daarbij bestaat de verwachting dat ook drie anderen een soortgelijk verzoek zullen gaan doen als gevolg waarvan de problemen binnen de meldkamer nog groter zullen worden.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Ter beoordeling staat dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat de aangevallen uitspraak in rechte geen stand houdt. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.

3.3. Gelet op het feit dat de aangevallen uitspraak er toe leidt dat het verzoek van betrokkene om volledige nachtdienstontheffing dient te worden ingewilligd, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen door verzoeker is aangevoerd een voldoende spoedeisend belang. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat, zoals door verzoeker ter zitting van de voorzieningenrechter is toegelicht, naast het verzoek van betrokkene en mogelijk nieuwe verzoeken om volledige nachtdienstontheffing er al zes 55-plussers zijn die een volledige ontheffing toegekend hebben gekregen. Hoewel deze medewerkers daar op dit moment nog geen gebruik van maken, kunnen zij dit op elk door hen gewenst moment doen. Onmiddellijke uitroostering van betrokkene voor de nachtdiensten zet naar het oordeel van de voorzieningenrechter, de roosterplanning van de meldkamer op scherp. De voorzieningenrechter zal dus antwoord moeten geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand kan blijven. In dat kader komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

3.4. In de kaderregeling is opgenomen de op het Besluit algemene rechtspositie politie gebaseerde Tijdelijke regeling nachtdienstheffing politie van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Stcrt 2001, 250), gewijzigd bij de regeling van 12 september 2006 (Stcrt 2006, 182) en zoals ten tijde van belang gold. In verband daarmee is onder paragraaf 16 van de kaderregeling vermeld:

De medewerker die 44 jaar of ouder was op 15 maart 1999 heeft, indien gewenst, vanaf 55 jaar recht op gehele of gedeeltelijke nachtdienstontheffing. Het betreft (gedeeltelijke) ontheffing van de dienst tussen 24.00 en 6.00 uur op verzoek van de medewerker. Dit verzoek wordt door het bevoegd gezag ingewilligd tenzij er sprake is van zwaarwegend dienstbelang. Van zwaarwegend dienstbelang is volgens de kaderregeling sprake indien inwilliging van een verzoek leidt tot ernstige problemen van financiële of organisatorische aard of omdat onvoldoende werk voorhanden is of omdat de vastgestelde formatieruimte of personeelsbegroting van het korps ontoereikend is.

Onder het kopje “Nachtdienstontheffing binnen de Politie [regio]” is eveneens in paragraaf 16 vermeld:

In het kader van zorgzaamheid wordt aan iedere medewerker die ouder is dan 50 jaar, de mogelijkheid geboden om geen volcontinudienst (nachtdienst) meer te hoeven verrichten. De medewerker kan op zijn verzoek wel maximaal en binnen de grenzen van de regelgeving worden ingezet in diensten op overige toeslaggevoelige uren. Ter zitting is verklaard dat het hier gaat om loopbaanbeleid van de politieregio, waarmee een verruiming is beoogd ten opzichte van de tijdelijke regeling wat betreft leeftijdscategorie. Uitdrukkelijk is bestreden dat daarmee een mogelijkheid is geschapen voor medewerkers van 50 jaar en ouder vrijwillig af te zien van nachtdiensten.

3.5. De voorzieningenrechter stelt vast dat de nadere regeling voor de politie [regio] niet expliciet voorschrijft dat een verzoek om nachtdienstontheffing van een medewerker die ouder is dan 50 jaar dient te worden getoetst aan het zwaarwegend dienstbelang. Met verzoeker is de voorzieningenrechter echter van oordeel dat een redelijke uitleg van de regeling voor medewerkers ouder dan 50 jaar in het licht van de (landelijke) regeling voor 55-plussers meebrengt dat in alle gevallen bij een verzoek om ontheffing van de nachtdiensten een afweging dient te worden gemaakt tussen het belang van een medewerker en het dienstbelang. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat in alle gevallen een verzoek om nachtdienstontheffing zou moeten worden toegestaan, hetgeen de politieorganisatie voor onoverkomelijke problemen zou stellen, zeker indien de opvatting van betrokkene zou worden gevolgd dat ook alle 55-plussers onder de ruimere regeling vallen aangezien zij ook ouder zijn dan 50 jaar.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank dus ten onrechte overwogen dat het verzoek van betrokkene om volledige nachtdienstontheffing niet mocht worden getoetst aan het (zwaarwegend) dienstbelang.

4. Gezien het voorgaande is het in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak geen stand zal houden. Op grond van dit voorlopig oordeel en gelet op de omstandigheid dat uitvoering van de aangevallen uitspraak mee zou brengen dat het verzoek van betrokkene zou moeten worden ingewilligd waardoor onmiddellijke roosterproblemen zouden ontstaan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

5. De voorzieningenrechter acht voorts geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

Schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 oktober 2010, 09/3507, totdat op het hoger beroep is beslist;

Bepaalt dat de griffier van de Raad het door verzoeker betaalde griffierecht van € 224,- terugbetaalt aan de korpsbeheerder van de politie [regio].

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

RB