Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
10-2910 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De Raad ziet in de brief van de echtgenoot van appellante geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Hierin ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een medisch deskundige te benoemen. Passende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2910 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2010, 09/1001 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.F. Achekar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 juli 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij vanaf 13 september 2008 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Bij besluit van 2 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante haar stelling, dat zij ten aanzien van haar armen, rug en voeten meer beperkt moet worden geacht dan de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 december 2008 heeft vastgesteld, niet heeft onderbouwd en dat zij evenmin medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij per einde wachttijd beperkingen had ten aanzien van haar nek en schouders. Met betrekking tot de psychische klachten heeft de rechtbank vastgesteld dat uit de rapportage van 2 juni 2008 blijkt dat de verzekeringsarts de verklaring van de behandelend psychotherapeut Van Helsdingen van 22 mei 2008 bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft overwogen dat appellante haar stelling dat zij meer beperkt moet worden geacht vanwege haar angst, niet heeft onderbouwd, dat appellante ook haar stelling, dat zij last heeft van bezetenheid, niet heeft ondersteund met medische informatie en dat deze stelling ook niet wordt onderbouwd door de verklaring van Van Helsdingen van 22 mei 2008.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald, dat het Uwv niet voldoende rekening houdt met haar lichamelijke en geestelijke toestand. Volgens appellante zijn haar lichamelijke klachten van dusdanige omvang dat zij zelfs in haar privé-situatie niet normaal kan functioneren. Ook de psychische klachten worden volgens appellante onderschat en onvoldoende serieus genomen. Ter illustratie van haar psychische klachten heeft appellante een brief van haar echtgenoot overgelegd. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellante geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De Raad ziet in de brief van de echtgenoot van appellante geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Hierin ligt tevens besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een medisch deskundige te benoemen.

4.2. Voorts is de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, productiemedewerker voedingsmiddelen industrie (SBC 111172), inpakker (handmatig) (SBC 111190) en textielproductenmaker (SBC 111160), passend zijn. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de bij deze functies voorkomende signaleringen afdoende toegelicht in zijn aanvullende rapportage van 23 december 2008.

4.3. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. Venneman.

NK