Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1798

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
08-6059 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening en terugvordering bijstand. Overschrijding vermogensgrens. Schending inlichtingenverplichting. De juistheid van de aan de herziening en terugvordering ten grondslag liggende vaststelling, dat de tegoeden op de op naam van appellante staande bankrekeningen de voor haar geldende vermogensgrens overschreden, kan (...) ook zonder deze stukken worden geverifieerd. Het terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vermogensgrens dient te voorzien in een uitzondering op het uitgangspunt van volledige terugvordering van kosten van bijstand in het geval de terugvordering tot uitkomsten leidt die voor de betrokkene onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. Matiging terugvordering. Nieuwe berekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6059 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 september 2008, 08/277 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van den Bogaard. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Tjen A Kwoei, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en vanaf 19 augustus 2006, na het overlijden van haar echtgenoot, naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellante over meer vermogen zou beschikken dan zij heeft opgegeven, is door de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat appellante, naast de bij het College bekend zijnde bankrekening bij de ABN AMRO Bank eindigend op [nr.] nog beschikte over twee bankrekeningen bij de Fortis Bank met het nummer eindigend op [nr.] en [nr.]. Gelet hierop heeft het College appellante verzocht alsnog de bankafschriften vanaf 2002 van de beide rekeningen bij de Fortis Bank over te leggen en is appellante in de gelegenheid gesteld over deze rekeningen nader te verklaren. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 mei 2007.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 10 oktober 2007 de bijstand van appellante te herzien en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.416,03 van haar terug te vorderen. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante wegens vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens te veel bijstand heeft ontvangen.

1.4. Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad begrijpt het besluit tot herziening en terugvordering, gelet op de daaraan ten grondslag gelegde stukken, aldus dat het College daarmee bedoelt de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2002 tot en met

31 december 2006 te herzien en de over deze periode te veel gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen.

4.2. Appellante heeft allereerst aangevoerd dat het besluit van 8 januari 2008 een toereikende en kenbare feitelijke onderbouwing ontbeert, nu het College zich heeft gebaseerd op de samenvattende rapportage van 10 mei 2007 zonder de juistheid daarvan te verifiëren aan de hand van de tijdens het onderzoek opgemaakte processen-verbaal van de door appellante en haar dochter afgelegde verklaringen en de tijdens het onderzoek van appellante verkregen kopieën van de bankafschriften van de Fortis Bank en zonder deze stukken aan het dossier toe te voegen.

4.3. De Raad volgt appellante hierin niet en overweegt hiertoe het volgende. Het College heeft verklaard dat de onder 4.2 bedoelde processen-verbaal en bankafschriften na afronding van het onderzoek bij de DWI in het ongerede zijn geraakt. Anders dan appellante is de Raad van oordeel dat niet reeds vanwege het ontbreken van deze stukken het besluit van

8 januari 2008 voor vernietiging in aanmerking komt. De juistheid van de aan de herziening en terugvordering ten grondslag liggende vaststelling, dat de tegoeden op de op naam van appellante staande bankrekeningen de voor haar geldende vermogensgrens overschreden, kan immers ook zonder deze stukken worden geverifieerd. Dat de twee door appellante niet gemelde bankrekeningen op haar naam staan en dat zij, gelet op de saldi van deze bankrekeningen ten tijde van belang, over een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens beschikte, blijkt immers ook uit de bankafschriften die appellante met haar aanvullend bezwaarschrift heeft overgelegd. De Raad wijst er voorts op dat appellante niet heeft gesteld dat de verklaringen van haar en haar dochter, zoals deze zijn weergegeven in de rapportage, niet overeenkomen met hetgeen zij destijds hebben verklaard. De in de rapportage opgenomen verklaringen komen bovendien overeen met hetgeen appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft gesteld.

4.4. Verder heeft appellante aangevoerd dat de tegoeden op de verzwegen bankrekeningen niet tot haar vermogen gerekend kunnen worden, omdat deze aan haar dochter, [naam dochter], toebehoren.

4.5. Ook hierin volgt de Raad appellante niet. Zoals de rechtbank onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad met juistheid heeft overwogen, rechtvaardigt het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat, de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die aan dat oordeel ten grondslag zijn gelegd en verwijst daarnaar. In hetgeen appellante in hoger beroep nog heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanknopingspunten om dit oordeel voor onjuist te houden.

4.6. De Raad stelt vast dat de tegoeden op de bankrekeningen ten tijde van belang de voor appellante geldende vermogensgrens, genoemd in artikel 54, aanhef en onder c, van de Algemene bijstandswet en artikel 34, derde lid, aanhef en onder c, van de WWB, overschreden. Nu van in aanmerking te nemen schulden niet is gebleken, had appellante van

1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 geen recht op bijstand.

4.7. Aangezien appellante het bestaan van de beide rekeningen bij de Fortis Bank en de daarop staande tegoeden niet aan het College heeft gemeld, en het hier gaat om gegevens waarvan het voor haar redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze van invloed waren op het recht op bijstand, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.8. Gelet op het voorgaande was het College bevoegd om de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Het College heeft besloten om de bijstand van appellante over de hier aan de orde zijnde periode tot een bedrag van € 20.416,03 te herzien. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante hiermee niet tekort is gedaan.

4.9. Uit hetgeen onder 4.8 is overwogen vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. Het College heeft zich terecht tot terugvordering bevoegd geacht en is overeenkomstig zijn beleidsregels tot terugvordering overgegaan, omdat van dringende redenen niet is gebleken.

4.10. Appellante heeft ten aanzien van de bevoegdheidsuitoefening bij de terugvordering aangevoerd dat het terug te vorderen bedrag in geen redelijke verhouding staat tot de hoogte van de overschrijding van de vermogensgrens. Volgens appellante leidt de door het College gehanteerde berekening tot dubbeltellingen van een en hetzelfde vermogensbedrag. Dit komt volgens haar niet overeen met de periode waarover zij op dit vermogen had kunnen interen, indien zij het College indertijd wel juist en volledig had geïnformeerd.

4.11. Deze grond treft doel. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, ingezet met de uitspraak van 21 april 2009 (LJN BH9423), dient het terugvorderingsbeleid bij vermogen boven de vermogensgrens te voorzien in een uitzondering op het uitgangspunt van volledige terugvordering van kosten van bijstand in het geval de terugvordering tot uitkomsten leidt die voor de betrokkene onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest.

4.12. Ter zitting heeft het College toegelicht te verwachten, en ook de Raad komt dat aannemelijk voor, dat een berekening van de terug te vorderen bijstand volgens de uitgangspunten van de hiervoor genoemde uitspraak van 21 april 2009 in het onderhavige geval zal leiden tot een matiging van de terugvordering.

4.13. Een en ander betekent dat het op de beleidsregels van het College berustende besluit van 8 januari 2008 wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen stand kan houden en dat dit besluit, voor zover daarbij de terugvordering tot een bedrag van € 20.416,03 is gehandhaafd, dient te worden vernietigd.

4.14. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 8 januari 2008 niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien, omdat een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moet worden gemaakt en het op de weg van het College ligt om deze berekening te maken. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen om ten aanzien van het terugvorderingsbedrag een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

4.15. Voor de volledigheid merkt de Raad ten behoeve van het nieuw te nemen besluit nog het volgende op. Met betrekking tot de door appellante ontvangen rente-inkomsten volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 21 april 2009 dat deze naar hun aard als inkomsten in aanmerking kunnen worden genomen voor zover deze betrekking hebben op het vermogen boven de vermogensgrens. Verder dient het College, overeenkomstig zijn huidig beleid, bij de berekening wederom de vermogensgrens die geldt voor gehuwden tot uitgangspunt te nemen, welke bedragen in het rapport van

10 mei 2007 zijn vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van

8 januari 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) C. de Blaeij.

IJ