Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
09-2423 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening toeslag op AOW-pensioen met terugwerkende kracht. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Beleid consistent toegepast. Geen sprake van rechtens relevante toezeggingen op grond waarvan appellant erop mocht vertrouwen dat de inkomsten van zijn partner niet van invloed zouden zijn op zijn recht op toeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2423 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 20 maart 2009, 08/5 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2010. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van september 1999 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend, alsmede een volledige toeslag ingevolge die wet, omdat zijn partner de leeftijd van 65 jaar nog niet had bereikt en geen eigen inkomsten had.

1.2. In juni 2007 heeft de Svb een nader onderzoek ingesteld in verband met de constatering van verschillen tussen de inkomsten van de partner van appellant zoals die bij de Belastingdienst bekend waren en de gegevens die daarover bij de Svb op dat moment voorhanden waren.

1.3. Bij besluit van 9 juli 2007 heeft de Svb van de aan appellant toegekende toeslag herzien over de periode januari 2005 tot en met augustus 2005 op de grond dat zijn partner inkomen uit arbeid heeft genoten. In een begeleidende brief bij dat besluit heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat het voornemen bestaat het te veel ontvangen bedrag van € 2.132,22 van hem terug te vorderen.

1.4. Bij het bestreden besluit van 23 november 2007 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juli 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard en de herziening teruggebracht tot de periode januari 2005 tot en met juli 2005. Daarbij is overwogen dat appellant de Svb niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van het inkomen dat zijn partner heeft ontvangen uit het persoonsgebonden budget (hierna: PGB) ten behoeve van haar kleinzoon. Aangezien betalingen uit een PGB dienen te worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 5, eerste lid, van het Inkomensbesluit AOW 1996, dienen deze op de AOW-toeslag in mindering te worden gebracht. De Svb heeft aangegeven van mening te zijn dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de PGB-vergoeding van invloed zou zijn op de hoogte van de toeslag op zijn AOW-pensioen. Opgemerkt wordt dat in het geval van appellant er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien. Het bezwaar tegen de aankondiging van de terugvordering heeft de Svb niet-ontvankelijk verklaard nu de onder 1.3 genoemde brief niet gericht is op enig rechtsgevolg en hierdoor geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.1. Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 mei 2008. Vervolgens heeft de rechtbank op 24 juli 2008 beslist tot heropening van het onderzoek en de Svb in de gelegenheid gesteld een aantal vragen te beantwoorden. Appellant is hierna in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een reactie te geven.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard en onder meer overwogen dat de Svb de PGB-betalingen terecht heeft aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 5, eerste lid, van het Inkomensbesluit AOW 1996 die op de AOW-toeslag in mindering dienen te worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant zijn verplichtingen niet nagekomen door de PGB-betalingen die zijn partner heeft ontvangen niet aan de Svb te melden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake was van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien. Voor zover het beroep gericht was tegen de aankondiging van de terugvordering heeft de rechtbank geoordeeld dat de Svb terecht het hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Hierin heeft hij uiteengezet dat zijn partner eens per week de zorg op zich nam voor hun kleinkind dat lijdt aan het syndroom van Down. Hiervoor ontving zij maandelijks een bepaald bedrag als tegemoetkoming in de reis- en andere kosten uit het PGB dat ten behoeve van hun kleinkind aan hun dochter werd verstrekt. Appellant stelt dat zijn dochter tevoren telefonisch geïnformeerd heeft bij de Svb naar de gevolgen voor het ouderdomspensioen van haar ouders en dat haar verzekerd is dat de betalingen niet als inkomen uit arbeid zouden worden beschouwd. Hij is onder meer van mening dat alleen hijzelf kan beoordelen of er hierdoor gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt en acht het voorts onbegrijpelijk dat geen koppeling heeft plaatsgevonden van persoonsgegevens die bekend zijn bij de AOW-afdeling van de Svb en bij het Svb Servicecentrum PGB.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Mede gelet op het hoger beroep van appellant is tussen partijen niet in geschil dat het inkomen dat de partner van appellant heeft ontvangen uit het aan hun dochter toegekende PGB, inkomsten zijn op grond van artikel 5 van het Inkomensbesluit AOW die als inkomen uit arbeid op grond van artikel 8, eerste lid, van de AOW bij de vaststelling van de juistheid van de toeslag in aanmerking moeten worden genomen. Evenmin is in geschil de berekening van de in dit geval onverschuldigd betaalde bedragen aan toeslag. Tussen partijen is met name in geschil of de Svb met recht de toeslag op de AOW van appellant met terugwerkende kracht heeft herzien.

4.3. De Raad stelt voorop dat uit artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de AOW volgt dat indien de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, de Svb gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Uitgangspunt van artikel 17a van de AOW is blijkens de wetsgeschiedenis dat in alle gevallen correctie van fouten moet plaatsvinden, maar dat aangesloten moet worden bij het rechtszekerheidsbeginsel zoals dat in de rechtspraak is ontwikkeld.

4.4. De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledig terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend.

4.5. Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

4.6. De Raad is van oordeel - in lijn met zijn uitspraken van 16 juli 2010 (LJN BN2197) en 5 november 2010 (LJN BO3352) - dat het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt dient te worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.7. Het is de Raad niet gebleken dat de Svb voormeld beleid niet consistent heeft toegepast. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de Svb uiteengezet dat bij de afdeling waar sinds 1 april 2003 ter keuze van de houder van een PGB de administratie van de verstrekkingen uit het PGB plaatsvindt geen gegevens aanwezig zijn over ouderdomsuitkeringen die in het kader van de AOW verstrekt worden. Mede hierdoor is de Raad er dan ook niet van overtuigd dat door een medewerker van de Svb, werkzaam bij evengenoemde afdeling, rechtens relevante toezeggingen zouden kunnen zijn gedaan op grond waarvan appellant erop mocht vertrouwen dat de inkomsten van zijn partner niet van invloed zouden zijn op zijn recht op toeslag.

4.8. De Raad onderschrijft dan ook - zij het met verbetering van gronden - het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM