Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1794

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
09-6815 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in het verweerschrift uitgebreid gereageerd op de stellingen van appellant. De Raad onderschrijft deze reactie van het Uwv. Aangezien voorts appellant zijn betoog niet heeft onderbouwd met nieuwe medische gegevens, ziet de Raad geen aanknopingspunten om te komen tot een ander oordeel dan ingenomen door de rechtbank. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak op dit gebied, bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2010, LJN BN2642, is de Raad van oordeel dat in dit geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bestaan voor een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6815 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2009, 09/881 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.R. Hostmann, advocaat te Capelle aan den IJssel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Voor appellant is verschenen mr. Hostmann, voor het Uwv mr. P. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreidere weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 12 september 2008, waarin appellant is meegedeeld dat per 13 oktober 2008 geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat appellant had kunnen weten dat hij binnen een half jaar nadat hij op 9 oktober 2006 bij zijn werkgever is gaan werken, arbeidsongeschikt zou worden.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 februari 2009 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Voorts zijn bepalingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

2.2. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv aan het besluit van 3 februari 2009 medische gegevens van de behandelende sector ten grondslag heeft gelegd en op basis daarvan, door middel van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 19 januari 2009, heeft gemotiveerd dat reeds voor aanvang van de verzekering op

9 oktober 2006 sprake was van arbeidsongeschiktheid. Deze motivering acht de rechtbank toereikend.

2.3. Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat het Uwv het besluit van 3 februari 2009 heeft gebaseerd op de situatie van artikel 46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Gedurende de beroepsprocedure heeft het Uwv aangegeven dat in dit geval de feitelijke situatie als bedoeld in artikel 46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA van toepassing is. De rechtbank volgt het Uwv daarin. Nu de juiste wettelijke grondslag alsnog in beroep is gegeven, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant een aantal argumenten aangevoerd op grond waarvan de aangevallen uitspraak in zijn visie geen stand kan houden. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in het verweerschrift uitgebreid gereageerd op de stellingen van appellant. De Raad onderschrijft deze reactie van het Uwv. Aangezien voorts appellant zijn betoog niet heeft onderbouwd met nieuwe medische gegevens, ziet de Raad geen aanknopingspunten om te komen tot een ander oordeel dan ingenomen door de rechtbank. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak op dit gebied, bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2010, LJN BN2642, is de Raad van oordeel dat in dit geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bestaan voor een reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.

3.2. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.3. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) R.L. Venneman.

IvR