Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
09-4050 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag. Appellante heeft zich door haar (...) gedrag (...) binnen de proeftijd wederom aan ernstig plichtsverzuim schuldig gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4050 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 8 juni 2009, 08/833 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: college)

Datum uitspraak: 13 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2010. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.C. Mertens, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Kragten en Partner te Hoogeveen, en door drs. C. Krolis, werkzaam bij de gemeente Midden-Drenthe.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 1985 in dienst van de gemeente [naam gemeente], thans de gemeente [naam gemeente]. Laatstelijk vervulde zij de functie van [naam functie]

1.2. Eind 2004 heeft appellante privé een aanrijding onder invloed van alcohol veroorzaakt, waarna haar rijbewijs is ingevorderd. Na dit incident is bij herhaling geconstateerd dat appellante met een dranklucht op het werk verschenen is. Zij heeft erkend dat zij een alcoholprobleem heeft en heeft toegezegd serieus aan dit probleem te zullen werken. Het college heeft haar verscheidene vormen van ondersteuning en begeleiding geboden. Appellante is er echter niet in geslaagd haar gedrag te wijzigen.

1.3. Op 12 oktober 2007 is appellante opnieuw met een dranklucht op het werk verschenen. Omdat zij niet in staat bleek haar werkzaamheden te verrichten, is zij tot nader order naar huis gestuurd en is haar de toegang tot het werk ontzegd. Bij besluit van 6 februari 2008 is haar onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Bij besluit op bezwaar van 11 april 2008 is deze straf - om appellante nog een laatste kans te bieden - omgezet in een voorwaardelijk strafontslag, met als voorwaarde dat appellante zich gedurende een periode van één jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing plaatsvindt, noch aan enig ander plichtsverzuim. Appellante heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel ingesteld.

1.4. Appellante heeft op 26 mei 2008 haar werkzaamheden hervat. Op 5 juni 2008 heeft zij zich ziek gemeld vanwege menstruatieklachten met duizelingen tot gevolg. Hierbij is tussen appellante en haar leidinggevende afgesproken dat zij op 6 juni 2008 haar werkzaamheden zal hervatten. Appellante is echter, zonder zich af te melden, niet verschenen. Op 6 juni 2008 heeft de buitendienstmedewerker van de arbodienst appellante thuis bezocht en geconstateerd dat zij in staat moet worden geacht werkzaamheden te verrichten. Het college heeft appellante diezelfde dag schriftelijk opgeroepen om op maandag 9 juni 2008 te hervatten. Appellante is op 9 juni 2008 niet op het werk verschenen, maar heeft zich telefonisch ziek gemeld; ze achtte zich niet arbeidsgeschikt vanwege duizelingen en vermoeidheid. Diezelfde ochtend heeft de leidinggevende appellante telefonisch opgedragen om 12 uur bij de bedrijfsarts te verschijnen. Zij heeft dit uitdrukkelijk geweigerd. Daarbij heeft ze er blijk van gegeven zich bewust te zijn van de mogelijke disciplinaire gevolgen van deze weigering. Vervolgens heeft de leidinggevende appellante thuis bezocht, haar in persoon een schriftelijke aanzegging uitgereikt en haar nogmaals dringend verzocht zich bij de bedrijfsarts te melden. Appellante heeft opnieuw geweigerd.

1.5. Het college heeft op grond van de in overweging 1.4 genoemde feiten vastgesteld dat appellante zich wederom meervoudig niet gehouden heeft aan de voor haar geldende regels en algemene ambtelijke gedragsnormen betreffende ziekmelding en werkhervatting. Bij besluit van 25 juni 2008 is het college overgegaan tot tenuitvoerlegging van het bij besluit op bezwaar van 11 april 2008 aan appellante opgelegde voorwaardelijke strafontslag. Dit besluit is, na gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 19 augustus 2008.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. De Raad stelt eerst vast dat het besluit tot voorwaardelijk strafontslag van 11 april 2008, nu appellant daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend, als een vaststaand gegeven moet worden beschouwd. In dit geding dient dan ook de vraag te worden beantwoord of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het besluit van het college tot tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijk ontslag in rechte stand kan houden.

3.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 13 april 2006, LJN AW4578 en TAR 2006, 132) dient bij de toetsing van een besluit tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk strafontslag beoordeeld te worden of het gepleegde plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt, waarbij er naast die beoordeling geen plaats meer is voor een evenredigheidstoetsing. Beoordeeld dient dus te worden of het college de voor de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf in aanmerking te nemen belangen heeft afgewogen en of hij in redelijkheid heeft kunnen komen tot het bestreden besluit.

3.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellante zich door haar in overweging 1.4 beschreven gedrag, in het bijzonder in de periode van 5 tot en met 9 juni 2008, binnen de proeftijd wederom aan ernstig plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. De stelling van appellante dat niet is vastgesteld dat zij wegens haar ziekte op 9 juni 2008 de bedrijfsarts had kunnen bezoeken, kan appellante niet baten. Het lag immers in de gegeven situatie op de weg van appellante om door middel van een medische verklaring aannemelijk te maken dat zij door ziekte in de onmogelijkheid verkeerde de bedrijfsarts te bezoeken. Dit heeft appellante echter nagelaten. Weliswaar heeft zij gesteld dat haar ziekte (lichamelijke klachten) is bekrachtigd door haar huisarts en de bedrijfsarts op respectievelijk 10 en 12 juni 2008, maar appellante heeft hiervoor geen schriftelijk bewijs aangedragen, laat staan dat ze aannemelijk heeft gemaakt dat die gestelde lichamelijke klachten op

9 juni 2008 zo ernstig waren, dat ze daarmee onmogelijk een arts kon bezoeken. Uit het feit dat appellante op 10 juni 2008 met dezelfde klachten wel in staat bleek haar huisarts te bezoeken kan eerder het tegendeel worden afgeleid.

3.4. De Raad concludeert dat de als plichtsverzuim verweten gedragingen aan appellante kunnen worden toegerekend en dat het college bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafontslag heeft kunnen besluiten.

4. Het hoger beroep van appellante slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

BvW