Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
09-4771 Aw
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afkopen van wachtgeld. Hoogte van de afkoopsom. Diensttijd. De laatst genoten bezoldiging. Hoogte van het wachtgeld. Afkooppercentage. Afdracht pensioenpremie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2011/87
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4771 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 6 juli 2009, 09/48 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 6 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door J. Sierts, accountant-administratieconsulent te Eenrum. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services te Emmen.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de staatssecretaris van Defensie.

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is van 1 oktober 1988 tot 1 januari 1990 werkzaam geweest bij het toenmalige [naam ziekenhuis]. Over de periode van 1 januari 1990 tot 1 juni 1990 heeft hij wachtgeld van het ministerie van Binnenlandse Zaken ontvangen. Met ingang van 1 juni 1990 is appellant in dienst getreden bij het ministerie van Defensie. Appellant is per 1 mei 2008 vanwege een reorganisatie ontslagen. Hij heeft verzocht zijn wachtgeld te mogen afkopen. Bij besluit van

28 augustus 2008 is dit verzoek toegewezen en is bepaald dat de afkoopsom € 96.003,32 bedraagt. Na bezwaar van appellant is bij besluit van 5 december 2008 (hierna: bestreden besluit) de hoogte van de afkoopsom gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellant is het niet eens met de hoogte van de afkoopsom, omdat in zijn visie de diensttijd, de laatst genoten bezoldiging, de hoogte van het wachtgeld en het afkooppercentage niet juist zijn vastgesteld. Verder voert hij aan dat de afdracht van pensioenpremie aan het ABP te laag is geweest.

3.2. Algemeen

3.2.1. Artikel 18, vijfde en zesde lid, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Defensie bepalen dat onder meer het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wbad) wordt ingetrokken, maar wel van toepassing blijft ten aanzien van degenen die worden ontslagen in het kader van het Sociaal Beleidskader Defensie (SBD). Appellant is vanwege een reorganisatie ontslagen. In zijn situatie is het SBD en dus ook het Wbad van toepassing. Artikel 19 van het Wbad bepaalt dat op aanvraag van de betrokkene het recht op wachtgeld geheel of ten dele kan worden afgekocht. Artikel 2.5 van het SBD geeft een nadere regeling van de afkoop van het wachtgeld in het kader van stimulering van zelfstandig ondernemerschap. Ingevolge dat artikel bedraagt de afkoopsom 30% van de nominale waarde van het voor betrokkene geldende recht op wachtgeld. Bij de berekening van hoogte en duur van het wachtgeld zijn onder meer van belang de diensttijd en de laatst genoten bezoldiging.

3.3. De diensttijd

3.3.1. Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wbad luidt als volgt:

“1. Dit besluit verstaat onder diensttijd:

voor zover gelegen voor 1 januari 1996:

de tijd zoals die voor betrokkene per 31 december 1995 meetelt voor de pensioenberekening, bedoeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet;

voor zover gelegen na 1 januari 1996:

de tijd gedurende welke de betrokkene overheidswerknemer is in de zin van de Wet privatisering ABP;

in beide gevallen met uitzondering van de tijd:

b. die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een wachtgeld of van een uitkering terzake van onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, tenzij voor de toepassing van artikel 8, tweede en derde lid, en van artikel 11, eerste lid;”

Op grond van artikel D4, eerste lid en tweede lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet wordt de tijd die is doorgebracht als wachtgelder voor een vierde gedeelte mede als diensttijd als ambtenaar geteld, als de som van leeftijd en diensttijd van de ambtenaar ten tijde van het ontslag minder bedraagt dan 60 jaren.

3.3.2. Bij de berekening van de duur van het wachtgeld is uitgegaan van een diensttijd die loopt van 1 juni 1990 tot

1 mei 2008. Appellant wil dat de perioden waarin hij bij het [naam ziekenhuis] werkte en wachtgeld ontving ook worden meegenomen bij de vaststelling van de diensttijd. Gelet op de in 3.2.1 weergegeven bepalingen kan de diensttijd bij het [naam ziekenhuis], die in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van het wachtgeld dat appellant van 1 januari tot 1 juni 1990 heeft ontvangen, niet nogmaals als diensttijd worden meegenomen. De tijd die appellant als wachtgelder heeft doorgebracht is evenwel ten onrechte niet voor een vierde gedeelte meegenomen. De bij de berekening in aanmerking te nemen diensttijd bedraagt dan ook niet 215 maanden, maar 216 maanden en 8 dagen. Het in aanmerking nemen van een andere diensttijd leidt tot een andere afkoopsom. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen daarom niet in stand worden gelaten.

3.4. De laatst genoten bezoldiging

3.4.1. Artikel 5, eerste lid, van het Wbad luidt als volgt:

“Artikel 5

1. In dit besluit wordt verstaan onder bezoldiging: de bezoldiging in de zin van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie, vermeerderd met de vakantie-uitkering, berekend over een maand, waarop de betrokkene op de dag voorafgaande aan zijn ontslag aansprak had …”

Het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie is vervangen door het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Ibbad).

Op grond van artikel 1, aanhef en onder j van het Ibbad wordt onder bezoldiging verstaan de som van het salaris en de toelagen waarop de ambtenaar ingevolge hoofdstuk 3 van dit besluit aanspraak heeft. In voorkomende gevallen kan dat bedrag worden vermeerderd met andere aanspraken of toelagen. Uit de laatste reguliere salarisafrekening blijkt dat appellant naast zijn salaris recht had op toelage onregelmatige dienst, inkomstentoeslag, vakantieuitkering en eindejaarsuitkering. Bij de vaststelling van de laatst genoten bezoldiging zijn deze bedragen exact overgenomen. Het standpunt van appellant dat meer componenten en sommige componenten tot een hoger bedrag moeten worden meegenomen kan de Raad dan ook niet volgen. Evenmin kan appellant worden gevolgd in zijn standpunt dat niet gekeken mag worden naar de bezoldiging in de periode van 1 mei 2006 tot 1 mei 2008, omdat deze periode feitelijk als een voorportaal voor het wachtgeld heeft gefungeerd, waarin diverse, voor 1 mei 2006 wel betaalde toelagen niet meer werden uitbetaald. De laatst genoten bezoldiging is naar het oordeel van de Raad terecht vastgesteld op € 2.479,40.

3.5. Hoogte van het wachtgeld

3.5.1. De duur van het wachtgeld is in dit geval vastgesteld met toepassing van artikel 9 van het Wbad, omdat toepassing van artikel 9 van het Wbad tot een langere wachtgeldduur leidt dan toepassing van artikel 8 van het Wbad. Het wachtgeld is op grond van artikel 11, eerste lid, van het Wbad de eerste drie maanden gelijk aan 90% van de bezoldiging, de daarop volgende negen maanden gelijk aan 80% van die bezoldiging en voor de resterende duur van het reguliere wachtgeld gelijk aan 70% van die bezoldiging. Op grond van artikel 25 Wbad worden gedurende de eerste zestig maanden de berekeningspercentages verhoogd met 3 procentpunten.

Appellant is van mening dat hij na afloop van het reguliere wachtgeld tot 1 augustus 2029 op grond van artikel 12 van het Wbad recht heeft op een wachtgeld ter hoogte van het minimumloon.

3.5.2. Artikel 12 van het Wbad bepaalt inderdaad dat het bedrag van het vervolgwachtgeld gelijk is aan het minimumloon. Appellant heeft echter geen recht op een vervolgwachtgeld. Dat recht heeft op grond van artikel 10, eerste lid, van het Wbad namelijk alleen de wachtgelder voor wie de wachtgeldduur is berekend met toepassing van artikel 8 van het Wbad. Het wachtgeld van appellant is berekend met toepassing van artikel 9 van het Wbad. Het standpunt van appellant op dit punt kan dan ook niet worden gevolgd. Overigens bedraagt op grond van artikel 10, derde en vierde lid, van de Wbad de duur van het vervolgwachtgeld voor de wachtgelder die nog geen 57,5 jaar of ouder was op de dag van zijn ontslag slechts een jaar.

Appellant heeft op grond van artikel 9, vierde lid, van het Wbad recht op een bijzondere verlenging van zijn wachtgeld tot de eerste dag van de maand waarin hij 65 wordt. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Wbad is tijdens de bijzondere verlenging het bedrag van het wachtgeld gelijk aan het pensioen, wat zou gelden als hij op de dag van ontslag recht op pensioen zou hebben. Het eerste jaar van de bijzondere verlenging bedraagt het wachtgeld tenminste 40% van de bezoldiging. Gelet op de overwegingen in 3.3.2 is het gehanteerde percentage voor de berekening van het resterende vervolgwachtgeld ter hoogte van het pensioen niet juist.

3.6. Afkooppercentage

3.6.1. Zoals in 3.2.1 is vermeld bedraagt de afkoopsom 30% van de nominale waarde van het voor betrokkene geldende recht op wachtgeld. De minister heeft in geen van de door appellante aangevoerde omstandigheden aanleiding gezien bij de berekening van de afkoopsom uit te gaan van een hoger percentage dan 30. De Raad is van oordeel dat de minister in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen.

3.7. Afdracht pensioenpremie

3.7.1. Appellant stelt dat hij vanaf 1 oktober 1988 ambtenaar is geweest en dat vanaf dat moment niet altijd pensioenpremie is afgedragen aan het ABP. De Raad stelt vast dat de vraag of ten onrechte over bepaalde perioden geen pensioenpremie is afgedragen terecht geen onderdeel uitmaakt van de aangevallen uitspraak, omdat het bestreden besluit geen betrekking heeft op de afdracht van pensioenpremie en daarover ook niet hoefde te gaan. Ook de Raad kan over dit punt in deze uitspraak geen oordeel geven. De Raad merkt in dit verband nog op dat bij de berekening van de diensttijd niet alleen perioden zijn meegenomen waarin pensioenpremie is afgedragen, maar ook een periode is meegenomen, waarin geen pensioenpremie is afgedragen, te weten de periode van 1 juni 1990 tot 1 november 1991

4. Het hier overwogene leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt evenals de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit in stand is gelaten. De minister zal een nieuwe beslissing moeten nemen op appellants bezwaar met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheeerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten rechtsbijstand, € 9,60 aan reiskosten en € 123,75 aan verletkosten en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten rechtsbijstand, € 42,51 aan reiskosten en € 165,- aan verletkosten. Derhalve in totaal € 1.628,86.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Draagt de minister op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2008 met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.628,86;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 255,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) B. Bekkers.

IJ