Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
09-3158 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bericht Terugbetalen: ontvankelijkheid bezwaar, besluit, gericht op rechtsgevolg.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3158 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 mei 2009, 08/1492 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 21 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellante is verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij Bericht Terugbetalen 2008 van 6 februari 2008 heeft de Minister appellante medegedeeld dat haar lening is verhoogd met € 25,11 en dat hierover vanaf 1 januari 2008 rente wordt berekend. Voorts is medegedeeld dat zij extra betalingen heeft gedaan waarvan € 255,35 is afgeboekt van haar lening die op 1 januari 2008 € 264,80 bedraagt en dat haar schuld op 1 februari 2008 derhalve € 34,68 bedraagt.

1.2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit Bericht en aangevoerd dat haar lening ten onrechte is verhoogd met € 25,11, nu zij hierom niet heeft gevraagd en dit bedrag nimmer heeft ontvangen.

1.3. Bij besluit van 4 april 2008 heeft de Minister het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat er wat betreft de vermelde rentedragende lening geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat de verhoging van de lening met € 25,11 ziet op de aan appellante toegekende rentedragende lening van € 1,- per maand in de jaren 2004 en 2005, vermeerderd met rente. Bij Berichten Studiefinanciering 2004 nrs. 1, 2, 4 en 5 is de hoofdsom van deze schuld reeds vastgesteld, tegen welke besluiten appellante geen bezwaar heeft gemaakt. Het Bericht Terugbetalen 2008 van 6 februari 2008 is derhalve niet op rechtsgevolg gericht voor zover het betreft de hoofdsom van de schuld. Het bezwaar is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2. In hoger beroep heeft appellante (wederom) aangevoerd dat het Bericht Terugbetalen 2008 wel degelijk is gericht op rechtsgevolg nu bij dit Bericht haar schuld met € 25,11 is verhoogd. Deze schuld stond niet apart vermeld in het Bericht Terugbetalen 2007 van 6 januari 2007. Appellante mocht er vanuit gaan dat deze schuld was opgenomen in het totale bedrag zoals vermeld in het Bericht Terugbetalen 2007. Voorts wijst appellante erop dat de verwijzing door de rechtbank naar een drietal uitspraken van de de Raad onbegrijpelijk is en dat één van deze uitspraken niet gepubliceerd is. De uitspraak van de rechtbank is om deze redenen onvoldoende gemotiveerd. Appellante verzoekt de Raad om de aangevallen uitspraak te vernietigen evenals het besluit op bezwaar, onder de bepaling dat de Minister het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierrecht vergoedt. Subsidiair verzoekt zij de Raad te bepalen dat de Minister het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt, aangezien zij door de onduidelijke en foutieve berichten van de Minister genoodzaakt was om beroep in te stellen.

3.1. De Raad overweegt het volgende.

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Bericht Terugbetalen 2008 van 6 februari 2008 niet gericht is op rechtsgevolg voor zover het betreft de vermelde “verhoging” van de lening met € 25,11. Bedoelde verhoging vloeit niet voort uit het Bericht Terugbetalen 2008 van 6 februari 2008. De verhoging is het gevolg van eerdere besluiten waarbij aan appellante een rentedragende lening van in totaal € 23,- (€ 1,- per maand gedurende 23 maanden) is toegekend, welk bedrag vanwege bijtelling van rente is toegenomen tot een bedrag van € 25,11 op 1 februari 2008. De mededeling in het Bericht Terugbetalen 2008 ten aanzien van de lening van € 25,11 behelst niet meer dan het verstrekken van informatie over het totaal van de nog openstaande schuld zoals deze volgt uit eerdere besluiten en is mitsdien niet gericht op rechtsgevolg. Als gevolg van dit Bericht verandert er niets in de reeds bestaande situatie. Het Bericht is ook niet op zo’n verandering gericht.

De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De stelling van appellante dat de aangevallen uitspraak onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de verwijzing in die uitspraak naar de uitspraken van de Raad, gepubliceerd onder LJN BD8286, BD9502 en AO4315, slaagt niet. Deze uitspraken vormen een bevestiging van de juistheid van het oordeel van de rechtbank en zijn alle te vinden op www.rechtspraak.nl.

3.3. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet.

3.4. De Raad ziet derhalve geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De Raad ziet evenmin aanleiding voor vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht. Nu het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard, was er geen verplichting voor de Minister om inhoudelijk in te gaan op de bezwaren van appellante. Overigens merkt de Raad op dat de Minister er beter aan zou hebben gedaan één en ander op meer inzichtelijke wijze aan appellante uiteen te zetten in een poging procedures als door haar gevoerd te voorkomen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter, en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

KR