Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1771

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
10-1344 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uitgaande van de juistheid van de in de FML weergegeven belastbaarheid is de Raad van oordeel dat de geduide functies, gelet op de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gegeven toelichting op de bij deze functies ten aanzien van een aantal belastingaspecten optredende signaleringen, in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1344 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2010, 08/1119 WAO (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een haar betreffende brief van 4 augustus 2010 van de longarts dr. M.J.J.M. van Hengstum ingezonden.

Het Uwv heeft hierop met een commentaar van 17 september 2010 van bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellante is verschenen bij mr. De Bie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de door de rechtbank, gelet op de gedingstukken met juistheid, in de aangevallen uitspraak weergegeven feiten. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij besluit van 9 augustus 2007 de aan appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verleende uitkering, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 10 oktober 2007 heeft herzien en nader heeft vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2008 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank, beslissende op het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, heeft geen reden gezien te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde en in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) weergegeven medische beperkingen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek en rust het bestreden besluit op een deugdelijk medische grondslag.

2.2. De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft, rekening houdende met de in de FML weergegeven belastbaarheid van appellante een aantal functies geduid. Dienaangaande heeft de rechtbank, lettend op de door de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige gegeven toelichtingen, geoordeeld dat de belasting in deze functies de belastbaarheid van appellante, als weergegeven in de FML, niet te boven gaat. Gelet op de met de geduide functies te verwerven inkomsten heeft de rechtbank geoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv bij het bestreden besluit niet is onderschat.

3.1. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar medische beperkingen op verschillende items van de FML door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn onderschat, dat zij meer energetisch beperkt dient te worden geacht en dat de geduide functies niet geschikt zijn vanwege haar benauwdheidklachten, haar beperkingen aan armen en handen en het daarin voorkomen van deadlines en productiepieken. Voorts heeft appellante gewezen op de inhoud van een door haar ingezonden brief van 4 augustus 2010 van haar behandelend longarts dr. M.J.J.M. van Hengstum.

3.2. Het Uwv heeft bij verweerschrift aangevoerd dat hetgeen appellante met betrekking tot haar medische beperkingen in hoger beroep heeft gesteld een herhaling vormt van het gestelde in bezwaar en beroep. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn commentaar van 17 september 2010 op de brief van de behandelend longarts gereageerd in die zin dat hij enerzijds geen aanleiding heeft om in discussie te gaan omtrent de bevindingen van deze longarts, maar dat hij anderzijds geen reden ziet zijn standpunt te wijzigen, nu aan die brief valt te ontlenen dat eerst een half jaar na de datum in geding

(10 oktober 2007) sprake is geweest van een verslechtering van het medisch beeld met toegenomen medicatiebehoefte.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De behandelend longarts Van Hengstum, die appellante al sedert maart 1991 kent, heeft in zijn brief van

4 augustus 2010 zijn visie als volgt verwoord:

“Bij retrospectie is er eigenlijk sprake van weer een verslechtering van het beeld met toegenomen medicatiebehoefte vanaf april 2008. Vanaf dat moment is er dus een duidelijke verslechtering van haar klinische conditie. Naar mijn oordeel is patiënte op grond van deze bevindingen niet in staat 40 uur per week te werken met deadlines, productiepieken, hoge activiteiten, tempo en met name niet in een omgeving met prikkelende stoffen zoals lijmdampen.”

Uit zijn brief blijkt voorts dat hij appellante periodiek ziet vanwege een astmatische bronchitis bij een allergische constitutie met een hyperreactiviteit van de bronchiaalboom, die zich onder andere uit als inspanningsastma. In december 2009 heeft appellante een inspanningsonderzoek ondergaan en in juni 2010 is zij vervroegd gezien in verband met benauwdheidklachten.

4.2. Anders dan ter zitting door appellantes gemachtigde is betoogd, acht de Raad, in weerwil van het in 4.1 weergegeven citaat, niet aannemelijk dat de daarin beschreven verslechtering zich al voor april 2008 en in het bijzonder ten tijde in geding heeft voorgedaan. Daartegen pleit dat sprake is van een retrospectief oordeel op basis van periodieke onderzoeken en controles door de behandelend longarts. Indien sprake was geweest van een daadwerkelijke verslechtering voor april 2008 had appellante, gelijk zij deed in juni 2010, zich op dat moment bij haar longarts kunnen melden. Daarvan is de Raad evenwel niet gebleken. De Raad gaat dan ook uit van de juistheid van de door de longarts gedane mededeling dat sinds april 2008 het medisch beeld is verslechterd.

4.3. Met een dergelijke verslechtering kan de Raad in dit geding, dat gaat over de medische situatie van appellante per

10 oktober 2007, geen rekening houden. Wel kan appellante in verband hiermee zich bij het Uwv toegenomen arbeidsongeschikt melden, hetgeen, zoals door appellantes gemachtigde te zitting is meegedeeld, metterdaad ook door haar is gedaan.

4.4. Uitgaande van de juistheid van de in de FML weergegeven belastbaarheid is de Raad van oordeel dat de geduide functies, gelet op de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige gegeven toelichting op de bij deze functies ten aanzien van een aantal belastingaspecten optredende signaleringen, in medisch opzicht geschikt zijn.

4.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL