Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1762

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
24-01-2011
Zaaknummer
10-3314 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad volgt niet het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht evenals eigen medisch onderzoek en beschikte over voldoende medische gegevens om tot een standpunt te komen over de (lichamelijke en psychische) belastbaarheid van appellant. De Raad overweegt tot slot dat de in hoger beroep bij brief van 26 november 2010 ingebrachte medische gegevens geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Uit deze gegevens blijkt niet van zwaardere of andere beperkingen ten tijde in geding. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen in de FML van 22 juli 2008 is de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3314 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 april 2010, 09/1521 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Jaab, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport ingezonden.

Appellant heeft bij schrijven van 26 november 2010 stukken betreffende zijn medische situatie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellant is verschenen bij mr. Jaab. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 24 september 1984 met maagklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als expeditiemedewerker voor 40 uur per week. Het Uwv heeft appellant na afloop van de wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Appellant is nadien gaan werken als medewerker housekeeping in een urenomvang van 17 uur per week. De WAO-uitkering van appellant werd laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Ingaande 24 juli 2006 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische klachten, hyperventilatie en lichamelijke klachten. Appellant is op 22 juli 2008 op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien. Deze achtte appellant beperkt ten aanzien van te forse psychische belasting en ten aanzien van gevaarlijke situaties bij medicatiegebruik en neiging tot flauwvallen. De verzekeringsarts heeft appellant gelet op de aard van de psychische klachten (overige somatoforme stoornissen, hypochondrie) mede beperkt geacht voor te forse fysieke belasting in het algemeen. Vanwege status na slijmbeursontsteking gelden beperkingen ten aanzien van de linkerschouder. De verzekeringsarts heeft geen indicatie gezien voor een duurbeperking, appellant is echter niet in staat in de avond of nacht te werken. De arbeidsdeskundige heeft uitgaande van de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 juli 2008 weergegeven beperkingen vastgesteld dat appellant ongeschikt te achten is voor de maatgevende arbeid van expeditiemedewerker. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting berekend op 38,40%. Bij besluit van 2 september 2008 heeft het Uwv beslist dat de WAO-uitkering van appellant ingaande 21 juli 2008 ongewijzigd vastgesteld wordt naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.3. Bij besluit van 30 januari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 2 september 2008 gehandhaafd. Dit besluit berust op een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest om de reden dat de verzekeringsartsen hebben volstaan met dossieronderzoek en hebben afgezien van lichamelijk onderzoek, waardoor zijn lichamelijke klachten onderbelicht zijn gebleven. Appellant acht het voorts niet juist dat de verzekeringsartsen de behandelend sector niet hebben geraadpleegd. Appellant acht zich ernstiger beperkt dan is vastgesteld door het Uwv. Hij heeft erop gewezen dat het Uwv Werkbedrijf aan de werkgever toestemming heeft verleend om de arbeidsverhouding op te zeggen. Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen voor een onderzoek naar zijn beperkingen. Hij acht de voor hem geselecteerde functies niet geschikt.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De Raad volgt niet het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht evenals eigen medisch onderzoek en beschikte over voldoende medische gegevens om tot een standpunt te komen over de (lichamelijke en psychische) belastbaarheid van appellant. De bezwaarverzekeringsarts

D. Partowihono, die ter hoorzitting aanwezig was en die de huisarts tevergeefs heeft aangeschreven voor nadere medische gegevens, heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het beeld van de klachten van appellant voldoende duidelijk was om de belastbaarheid te kunnen beoordelen. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen in de FML van 22 juli 2008. De Raad overweegt daartoe dat Partowihono bij rapport van 13 januari 2009 gemotiveerd heeft aangegeven waarom appellant niet gevolgd kan worden in de door hem in bezwaar aangevoerde, en thans in hoger beroep herhaalde, grief dat hij op psychische en lichamelijke gronden zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld in de FML. De Raad onderschrijft deze overwegingen van Partowihono. De Raad overweegt voorts dat bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier, die de buiten de bezwaartermijn ontvangen medische informatie van de huisarts alsnog heeft beoordeeld, in haar rapport van 21 juli 2008 genoegzaam heeft uiteengezet waarom deze gegevens haar geen aanleiding geven om het eerder ingenomen standpunt over de belastbaarheid van appellant te wijzigen. De Raad overweegt tot slot dat de in hoger beroep bij brief van 26 november 2010 ingebrachte medische gegevens geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Uit deze gegevens blijkt niet van zwaardere of andere beperkingen ten tijde in geding. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen in de FML van 22 juli 2008 is de Raad van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in het aanvullend rapport van 27 augustus 2008 van de arbeidsdeskundige W.A. Parleviet.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK