Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1647

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
08-6812 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Re-integratieverplichting. Drie dagen ongeoorloofd verzuim. Recidive. Verlaging bijstand met 50% voor de duur van een maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6812 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], thans zonder vaste woon- of verblijfplaats (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 oktober 2008, 08/617 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Bestuurscommissie), als rechtsopvolgster van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent de Bestuurscommissie de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder Bestuurscommissie tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht.

Namens appellant heeft mr. S. Zwiers, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

De Bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Appellant is niet verschenen. De Bestuurscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn, werkzaam bij openbaar lichaam Drechtsteden.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden en de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt sinds 25 maart 2005 bijstand op grond van de WWB.

1.2. Vanaf 13 november 2007 verricht appellant via re-integratiebureau De Brug werkzaamheden voor het Buurt Service Team (hierna: BST). Deze werkzaamheden worden verricht in het kader van een door de Bestuurscommissie aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Bij besluit van 8 februari 2008 heeft de Bestuurscommissie de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2008 verlaagd met 100% voor de duur van een maand, op de grond dat sprake was van drie dagen ongeoorloofd verzuim verdeeld over drie perioden in december 2007 en tevens op grond van recidive. Bij besluit van 24 april 2008 heeft de Bestuurscommissie het tegen het besluit van

8 februari 2008 gemaakte bezwaar (deels) gegrond verklaard en dat besluit gewijzigd in die zin dat de verlaging nader is vastgesteld op 50% voor de duur van een maand, nu de drie dagen ongeoorloofd verzuim verdeeld bleken te zijn over twee perioden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat appellant op woensdag 12 december 2007, vrijdag 14 december 2007 en maandag 24 december 2007 niet is verschenen bij het BST. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de registratie van re-integratiebureau De Brug dat appellant op voornoemde drie dagen zonder afmelding niet is verschenen bij het BST. In hoger beroep betoogt appellant enerzijds dat hij zich wel heeft ziek gemeld maar dat dit niet in de verzuimregistratie is opgenomen, en anderzijds dat hij zich niet heeft kunnen ziekmelden omdat hij geen beltegoed had en ook niet in staat was persoonlijk naar BST toe te gaan voor een mondeling ziekmelding. Nog daargelaten het feit dat appellant hiermee tegenstrijdig verklaart over de gang van zaken rond zijn afmeldingen, is de Raad van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd zijn stellingen aannemelijk te maken. De Raad is, met de rechtbank en anders dan appellant, van oordeel dat de afwezigheid van appellant aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd verzuim in de zin van artikel 4.5, eerste lid, van de Verordening Werk en Bijstand Drechtsteden (hierna: de Verordening) in combinatie met artikel III, eerste lid, van het Verzuimprotocol, gelezen in samenhang met artikel 8, tweede lid, van het Reglement Vrijwilligers De Brug.

4.2. De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De Bestuurscommissie was dan ook op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand in overeenstemming met de Verordening te verlagen.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat daar van uit, dat sprake is van recidive als bedoeld in artikel 4.11 van de Verordening en dat de hoogte en de duur van de opgelegde verlaging in overeenstemming is met de Verordening. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden die appellant heeft aangevoerd aanleiding hadden moeten geven om de verlaging op grond van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 4.1, tweede lid, van de Verordening op een lager percentage vast te stellen. Anders dan appellant, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om de opgelegde maatregel in strijd te achten met het subsidiariteits- of het proportionaliteits- beginsel. Dat appellant, zoals namens hem gesteld wordt, zwakbegaafd zou zijn, dat hij functioneel analfabeet is dan wel dat hij een beperkt begrip van (de Nederlandse) taal heeft levert geen dringende reden op in de zin van artikel 4.3 van de Verordening.

4.4. Appellant heeft betoogd dat zijn werkzaamheden voor het BST aangemerkt dienen te worden als arbeid en dat degene die hem te werk stelt zich als goed werkgever dient te gedragen. De door de Bestuurscommissie opgelegde verlaging van de bijstand is volgens appellant in strijd met de meest basale normen voor goed werkgeverschap. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant niet gevolgd kan worden in dit betoog. De Raad overweegt in dit kader dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de Bestuurscommissie en appellant. De Raad wijst er op dat de aan appellant opgelegde re-integratieverplichting voortvloeit uit het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, gelezen in samenhang met artikel 2.4, tweede en derde lid, van de Verordening. Indien deze verplichtingen niet worden nagekomen, zoals in het geval van appellant, is de Bestuurscommissie op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden de bijstand geheel of gedeeltelijk te verlagen.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

NK