Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1643

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
10-122 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag omdat appellant gedurende (...) referteperiode van 60 maanden onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. Appellant heeft geen herziening van de eerder opgelegde maatregelen aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/122 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 november 2009, 08/3743 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 18 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Salhi, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2010. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant en zijn echtgenote ontvangen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.3. Bij besluit van 16 maart 2007 heeft het College de bijstand van appellant en zijn echtgenote met ingang van

1 maart 2007 verlaagd met 30% voor de duur van een maand, op de grond dat appellant niet of onvoldoende meewerkt aan activiteiten die zijn opgedragen om de kans op werk te vergroten. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van

25 mei 2007 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.

1.4. Bij besluit van 11 juli 2007 heeft het College de bijstand van appellant en zijn echtgenote met ingang van 1 juli 2007 opnieuw verlaagd met 30% voor de duur van een maand, op de grond dat appellant door eigen gedrag de inschakeling in arbeid heeft belemmerd. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 16 januari 2008 heeft het College de aanvraag van appellant van 4 januari 2008 voor een langdurigheidstoeslag over 2008 afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 april 2008 ongegrond verklaard. Het College heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat appellant gedurende de in artikel 36 (oud) van de WWB genoemde referteperiode van 60 maanden onvoldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden. In dat verband heeft het College gewezen op de aan appellant bij besluiten van 16 maart 2007 (gehandhaafd bij besluit van 25 mei 2007) en 11 juli 2007 opgelegde maatregelen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die, voor zover hier van belang,

(a) gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en (c) gedurende de in onderdeel a bedoelde periode (de referteperiode) naar het oordeel van het college voldoende heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep uitsluitend heeft aangevoerd dat de onder 1.3 en 1.4 genoemde maatregelen ten onrechte zijn opgelegd, en dat hij een verzoek om herziening van deze maatregelen zal indienen zodat de langdurigheidstoeslag alsnog toegekend kan worden. De Raad is van oordeel, dat de grond dat de maatregelen ten onrechte zijn opgelegd, had kunnen en moeten worden aangevoerd in een procedure tegen de besluiten van

25 mei 2007 en 11 juli 2007. Nu appellant geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 25 mei 2007 en geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2007, zijn deze besluiten in rechte onaantastbaar geworden. Anders dan wellicht uit de uitspraak van de rechtbank kan worden afgeleid, kan deze grond in de onderhavige procedure niet meer worden ingebracht. In dit verband merkt de Raad nog op dat namens het College ter zitting is verklaard dat appellant, ondanks zijn herhaalde aankondiging daarvan, geen verzoek om herziening van de opgelegde maatregelen heeft ingediend.

4.3. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) C. de Blaeij.

NK