Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
08-6922 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag binnen 12 maanden na intrekking bijstand en terugvordering van gemaakte kosten van bijstand en langdurigheidstoeslag. Toekenning bijstand. Tevens maatregel en inhouding. Afhandelingsduur van de aanvraag.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/58
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6922 WWB

08/6923 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 oktober 2008, 08/1518 en 08/3654 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 30 november 2010. Partijen zijn zoals aangekondigd niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 23 januari 2007, gevolgd door een besluit van 16 februari 2007 dat na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 3 augustus 2007, heeft het College de bijstand die appellant al geruime tijd ontving met ingang van 19 november 1998 ingetrokken en de over de periode van 19 november 1998 tot en met 30 november 2006 gemaakte kosten van bijstand en langdurigheidstoeslag teruggevorderd tot een totaalbedrag van € 104.891,77. Hieraan lag ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting had geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 11 januari 2008, 07/3659, het beroep tegen het besluit van

3 augustus 2007 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de periode van 2 februari 2006 tot 2 februari 2007 - de einddatum van de door de rechtbank beoordeelde periode - en het College opgedragen om in zoverre een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het College, hangende het door appellant daartegen ingestelde hoger beroep, op 20 juni 2008 een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarbij de intrekking is beperkt tot de periode van 19 november 1998 tot 2 februari 2006 en de terugvordering is verlaagd tot € 94.010,51. Bij uitspraak van 9 maart 2010, LJN BL7302, heeft de Raad de uitspraak van 11 januari 2008 bevestigd en het beroep tegen het besluit van 20 juni 2008 ongegrond verklaard.

1.2. Bij het onder 1.1 genoemde besluit van 23 januari 2007 heeft het College tevens aangekondigd dat, indien appellant binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsaanvraag indient, de bijstand gedurende 20 maanden wordt verlaagd met 20%. Appellant heeft zich op 2 februari 2007 bij het CWI gemeld voor een aanvraag om bijstand.

1.3. Bij besluit van 30 oktober 2007 heeft het College appellant met ingang van 2 februari 2007 bijstand verleend. Voorts is bij dat besluit, bij wijze van maatregel, de bijstand vanaf die datum op grond van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2006 (hierna: Maatregelenverordening) voor een periode van 20 maanden met 20% verlaagd. Hieraan is ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar voormeld besluit van 23 januari 2007, dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarnaast heeft het College bij het besluit van 30 oktober 2007 besloten om voor de terugbetaling van de onder 1.1 genoemde vordering van € 104.891,77 per maand € 44,-- op de bijstand van appellant in te houden (hierna: aflossingsverplichting).

1.4. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2007 voor zover daarbij de hem verleende bijstand is verlaagd. Bij besluit van 11 februari 2008 heeft het College het besluit van 30 oktober 2007 in zoverre gewijzigd dat de maatregel wordt opgelegd voor de duur van 19 maanden.

1.5. Appellant heeft tegen het besluit van 11 februari 2008 beroep ingesteld, waarbij hij ook de vastgestelde aflossingsverplichting heeft aangevochten. Hangende dat beroep heeft het College bij besluit van 25 april 2008 zijn besluit van 11 februari 2008 in zoverre herzien dat het bezwaar gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en dat de maatregel wordt opgelegd voor de duur van 17 maanden. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 11 februari 2008 mede gericht geacht tegen het besluit van 25 april 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht:

- het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 11 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard,

- het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 25 april 2008 en voor zover daarbij is geweigerd de in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden gegrond verklaard en dat besluit vernietigd,

- het beroep voor zover gericht tegen de vastgestelde aflossingsverplichting niet-ontvankelijk verklaard en

- het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen de vastgestelde aflossingsverplichting niet-ontvankelijk is verklaard en het beroep voor het overige ongegrond is verklaard. De door appellant aangevoerde gronden richten zich tegen de lange afhandelingsduur van zijn bijstandsaanvraag van 2 februari 2007, tegen het per die datum opleggen van een maatregel en tegen (het ontvankelijkheidsoordeel van de rechtbank over) de aflossingsverplichting. Het College heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt, zich beperkend tot de aangevoerde, hieronder vermelde beroepsgronden, tot de volgende beoordeling.

4.1. De afhandelingsduur van de aanvraag.

4.1.1. Appellant heeft - samengevat - aangevoerd dat gezien de lange duur van de afhandeling van zijn bijstandsaanvraag de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden. In verband daarmee, en onder verwijzing naar de grote onzekerheid en frustratie waarin appellant stelt te hebben verkeerd tijdens de afhandelingsduur van zijn bijstandsaanvraag, vordert appellant vergoeding van immateriële schade.

4.1.2. Het enkele feit dat - vaststaat dat - de redelijke termijn van acht weken van artikel 4:13, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarbinnen op de bijstandsaanvraag van 2 februari 2007 had moet worden beslist ruimschoots is overschreden, brengt niet met zich mee dat het na bezwaar gehandhaafde besluit tot verlening van bijstand aan appellant onrechtmatig is. De Raad wijst er in dit verband in de eerste plaats op dat de Awb aan de enkele overschrijding van de voor het nemen van een besluit op de aanvraag geldende (redelijke) termijn geen consequenties verbindt, behoudens de mogelijkheid om tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag bezwaar te maken. In de tweede plaats wijst de Raad erop dat in het onderhavige geval de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM pas is aangevangen op het moment dat er sprake was van een bestuursrechtelijk geschil, dit is de datum van ontvangst door het College van het bezwaarschrift tegen het besluit van 30 oktober 2007, en dus niet al op het moment dat appellant zijn bijstandsaanvraag had ingediend. Niet in geschil is dat, uitgaande van de datum van ontvangst van het bezwaarschrift

(7 december 2007) als aanvangsdatum, de redelijke termijn niet is overschreden.

4.1.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verzoek van appellant om immateriële schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.2. De maatregel van 20% voor de duur van 17 maanden.

4.2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van de Maatregelenverordening wordt de maatregel niet eerder opgelegd dan in de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in afwijking van de eerste volzin van het eerste lid een maatregel ook kan worden opgelegd bij aanvang van de uitkering over de eerste maand, met ingang van de datum dat de uitkering is toegekend. Het vierde lid van artikel 6 bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de opgelegde maatregel als bedoeld in artikel 10 niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging van de uitkering, de maatregel alsnog kan worden uitgevoerd indien de belanghebbende binnen een termijn van twaalf maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet ontvangt.

4.2.2. Appellant heeft uitsluitend aangevoerd dat het College heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, gelet op de wijze waarop de besluitvorming over de maatregel heeft plaatsgevonden en de ingangsdatum van de maatregel. Ten aanzien van de wijze van besluitvorming heeft appellant betoogd dat pas in het besluit op bezwaar van 25 april 2008 is verwoord dat het gaat om het opleggen van een maatregel, terwijl in het primaire besluit van 30 oktober 2007 tot uitdrukking is gebracht dat de al bij besluit van 23 januari 2007 opgelegde maatregel ten uitvoer wordt gelegd. Volgens appellant komt het College dan ook terug op een eerder ingenomen standpunt, zonder dit expliciet te motiveren. Ten aanzien van de ingangsdatum van de maatregel heeft appellant betoogd dat de maatregel is opgelegd met terugwerkende kracht tot

2 februari 2007. Het College heeft weliswaar met een beroep op artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening gesteld dat van het rechtszekerheidsbeginsel kan worden afgeweken, maar deze bepaling kan, zo stelt appellant, “geen rechtsgevolg hebben”. Appellant heeft hierbij nog aangetekend dat artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening lijkt uit te gaan van een maatregel die voor slechts één maand wordt opgelegd.

4.2.3. Allereerst stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de opgelegde maatregel in overeenstemming is met de van toepassing zijnde bepalingen van de Maatregelenverordening.

4.2.4. Vervolgens stelt de Raad vast dat bij het primaire besluit van 30 oktober 2007 - onmiskenbaar - een maatregel is opgelegd die bij het besluit van 25 april 2008 gedeeltelijk is gehandhaafd. Dat in het besluit van 30 oktober 2007 wordt overwogen dat appellant “binnen deze 12 maanden opnieuw een beroep [heeft] gedaan op een uitkering van de gemeente Nijmegen en daarmee […] tevens de maatregel ten uitvoer wordt gbracht”, maakt dat niet anders. De Raad ziet dan ook geen enkel aanknopingspunt voor de stelling van appellant dat het College bij besluit van 25 april 2008 ongemotiveerd is teruggekomen van het bij besluit van 30 oktober 2007 ingenomen standpunt over de (aard van de) opgelegde maatregel.

4.2.5. Artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening biedt uitdrukkelijk de mogelijkheid om een maatregel op te leggen vanaf de ingangsdatum van de bijstand. De Raad ziet niet in dat deze mogelijkheid slechts zou bestaan voor maatregelen die worden opgelegd voor de duur van één maand. Voor zover appellant met zijn stelling dat artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening geen rechtsgevolg kan hebben, heeft willen betogen dat deze bepaling buiten toepassing moet worden gelaten, slaagt dit betoog niet. Artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening valt binnen de grenzen die de WWB aan de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad heeft gesteld en is niet kennelijk onredelijk.

4.2.6. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van appellant op het rechtszekerheidsbeginsel niet.

4.3. De aflossingsverplichting.

4.3.1. Appellant heeft aangevoerd dat de toegang tot de rechter niet door het toepassen van het ‘trechtermodel’ in een te vroege fase van de gehele procedure in gevaar mag komen en dat er wel degelijk een samenhang bestaat tussen het opleggen van de maatregel en de hoogte van de maandelijkse aflossing.

4.3.2. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Deze bepaling moet, gezien de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003-2004, 29 421, nr. 3, blz. 5 e.v., en nr. 11), aldus worden uitgelegd dat een belanghebbende slechts beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waartegen hij bezwaar heeft gemaakt, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten tegen een onderdeel geen bezwaar te hebben gemaakt.

4.3.3. De Raad merkt eerst op dat het primaire besluit van 30 oktober 2007 ten minste een drietal te onderscheiden deelbesluiten bevat, te weten de verlening van bijstand met ingang van 2 februari 2007, de oplegging van een maatregel en de vaststelling van de aflossingsverplichting, die ieder zelfstandig voorwerp van bezwaar, beroep en hoger beroep kunnen zijn. Appellant is met zijn bezwaarschrift van 7 december 2007 uitsluitend opgekomen tegen de opgelegde maatregel. De Raad stelt daarom met de rechtbank vast dat ten aanzien van de vastgestelde aflossingsverplichting geen bezwaar is gemaakt. De Raad is evenals de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan appellant dit niet redelijkerwijs kan worden verweten. Nu appellant voor het eerst in beroep bij de rechtbank te kennen heeft gegeven het met de vastgestelde aflossingsverplichting niet eens te zijn, is, gelet op artikel 6:13 van de Awb, het beroep in zoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

IJ