Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
10-862 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen stapeling van onweerlegbare rechtsvermoedens. Het College heeft in zijn besluit van 3 februari 2009 de aanname dat betrokkene en zijn voormalige partner een gezamenlijke huishouding voeren niet gebaseerd op een onderzoek naar het feitelijk bestaan van wederzijdse zorg tussen hen, maar op de eerdere afwijzing van een aanvraag van betrokkene om bijstand als alleenstaande op de grond dat betrokkene gezamenlijk hoofdverblijf heeft met zijn voormalige partner met wie hij een geregistreerd partnerschap had. Het besluit berust daarom op een onjuiste toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en a, van de WWB. Vernietiging besluit. Nieuw besluit op bezwaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 3.4.a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/68
RSV 2011/100
USZ 2011/58 met annotatie van A.E.L.T. Balkema
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/862 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 januari 2010, 09/725 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 11 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was gehuwd. Op 2 oktober 2006 is dit huwelijk omgezet in een geregistreerd partnerschap, dat op 8 november 2006 is ontbonden. Betrokkene en zijn voormalige partner zijn in dezelfde woning blijven wonen.

1.2. Bij besluit van 4 september 2008 heeft appellant de aanvraag van betrokkene van 7 juli 2008 om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande afgewezen op de grond dat een gezamenlijke huishouding voert met zijn voormalige partner. Daartoe is overwogen dat zijn voormalige partner in zijn huis woont en dat hij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag met die partner gehuwd is geweest. Appellant heeft het hiertegen gerichte bezwaar bij besluit van 30 september 2008 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.

1.3. Op 11 november 2008 heeft betrokkene opnieuw een aanvraag om bijstand gedaan naar de norm voor een alleenstaande over de periode tot en met 10 december 2008.

1.4. Bij besluit van 4 december 2008 heeft appellant de aanvraag van 11 november 2008 afgewezen onder verwijzing naar zijn besluit van 4 september 2008 en de motivering dat sindsdien de situatie van betrokkene niet was veranderd.

1.5. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft appellant overwogen dat betrokkene nog steeds gezamenlijk hoofdverblijf heeft met zijn voormalige partner en dat hij en die partner door het besluit van 4 september 2008 in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt. Daarvoor is niet noodzakelijk dat ook daadwerkelijk bijstand is verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 februari 2009 met een bepaling omtrent proceskosten en griffierecht gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de temporele werking van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, gelet op zijn aard en consequenties, niet op een willekeurig moment opnieuw kan aanvangen. Ten tijde van de aanvraag waren twee jaren verstreken sinds de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Daarom mag appellant het rechtsvermoeden in verband met dit partnerschap niet meer aan betrokkene tegenwerpen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat door het besluit van 4 september 2008, waarbij appellant bijstand aan betrokkene heeft geweigerd op de grond dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, een nieuwe periode van twee jaar heeft doen aanvangen, waarin appellant aan betrokkene het rechtsvermoeden, neergelegd in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB mag tegenwerpen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen met de echtgenoot gelijkgesteld de geregistreerde partner.

4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

4.4. De onder 4.3 geciteerde bepaling bevat twee zogenoemde onweerlegbare rechtsvermoedens. Het eerste betreft de ex-gehuwden, daaronder begrepen de ex-geregistreerden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 november 2005, LJN AU7657 en 2 oktober 2007, LJN BB4918) is de duur van dit vermoeden ook beperkt tot twee jaar. Dit rechtsvermoeden heeft het College toegepast in het besluit van 4 september 2008. Het tweede in die bepaling neergelegde rechtsvermoeden betreft degenen, die voor bijstandsverlening als gehuwden zijn aangemerkt. Het is dit laatste rechtsvermoeden dat het College in het besluit van 3 februari 2009 heeft toegepast. Ook dit rechtsvermoeden vindt blijkens de wetsgeschiedenis daarin zijn rechtvaardiging dat er in dat geval in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat de feitelijke situatie beantwoordt aan die van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in 4.2. Naar het oordeel van de Raad kan daarom slechts op grond van deze bepaling een gezamenlijke huishouding aanwezig worden geacht op de grond dat de betrokkenen eerder voor de bijstandsverlening als gehuwden zijn aangemerkt, indien en voor zover het besluit waarbij de betrokkenen eerder als zodanig zijn aangemerkt gebaseerd is op dezelfde mate van zekerheid omtrent het feitelijk bestaan van die verhouding tussen betrokkenen. Daarvan zal in ieder geval sprake zijn indien die betrokkenen bijstand hebben aangevraagd naar de norm voor gehuwden of indien aan hen bijstand naar die norm is verleend. Voorts is daarvan sprake indien dat eerdere besluit is gebaseerd op de erkenning van betrokkenen dat zij een gezamenlijke huishouding voeren of indien daarbij door het College op basis van onderzoek naar feiten en omstandigheden is vastgesteld dat sprake is van wederzijdse zorg. Naar het oordeel van de Raad ontbreekt echter deze mate van zekerheid omtrent het feitelijk bestaan van een verhouding tussen betrokkenen die een gelijkstelling met gehuwden rechtvaardigt, indien het eerdere besluit omtrent bijstandsverlening naast de vaststelling dat sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf uitsluitend is gebaseerd op toepassing van een rechtsvermoeden als hiervoor bedoeld.

4.5. Appellant heeft in zijn besluit van 3 februari 2009 de aanname dat betrokkene en zijn voormalige partner een gezamenlijke huishouding voeren niet gebaseerd op een onderzoek naar het feitelijk bestaan van wederzijdse zorg tussen hen, maar op de eerdere afwijzing van een aanvraag van betrokkene om bijstand als alleenstaande op de grond dat betrokkene gezamenlijk hoofdverblijf heeft met zijn voormalige partner met wie hij een geregistreerd partnerschap had. Het besluit van 3 februari 2009 berust daarom op een onjuiste toepassing van artikel 3, vierde lid, aanhef en a, van de WWB. Om die reden faalt het hoger beroep. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking met aanvulling van gronden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het College een griffierecht van € 447,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. de Jong.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ