Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1484

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
10-2321 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een Wajong-uitkering toe te kennen. Voldoende zorgvuldig onderzoek. De Raad is niet gebleken dat appellant niet in staat was om arbeid te verrichten dan wel niet in staat was om 75% van het voor hem geldende minimumloon te verdienen. De Raad kan evenmin een onderbouwing zien voor de stelling dat appellant al op de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2321 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 maart 2010, 08/4304 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. M.A.W. Ketelaars, advocaat te Helmond.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. drs. H.H.M. Jansen, advocaat te Helmond en kantoorgenoot van mr. Ketelaars en de heer [naam vader], vader van appellant. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier thans met het volgende.

1.2. Appellant, geboren op 1 december 1970, heeft op 23 november 2007 een aanvraag voor een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een Wajong-uitkering toe te kennen omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden om als jonggehandicapte in de zin van de Wajong te worden beschouwd. Bij besluit van 4 november 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, overwogen dat aanspraken van een verzekerde in beginsel dienen te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft. De aanvraag van appellant vloeit voort uit een door hem gestelde arbeidsongeschiktheid op de dag dat hij 17 jaar werd, te weten op 1 december 1987, ten gevolge waarvan appellant op 1 december 1988 aanspraak op een Wajong uitkering meent te hebben. De Wajong is van kracht sinds 1 januari 1998. Op de datum waarop de aanspraak van appellant betrekking heeft waren de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van toepassing, zodat de rechtbank de aanspraak inhoudelijk heeft beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de AAW.

2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts in twijfel te trekken. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er op basis van eigen onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en de van psychiater E.C. van IJken ontvangen informatie beperkingen zijn vastgesteld die van toepassing waren ten tijde hier in geding, maar dat deze beperkingen niet zodanig waren dat appellant ten gevolge daarvan niet in staat was arbeid te verrichten en daarmee een inkomen te verwerven van in ieder geval 75% van het wettelijk minimumloon zodat er vanaf 17-jarige leeftijd van appellant geen verlies aan verdienvermogen is vast te stellen.

3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. Appellant is – kort samengevat – van mening dat hij reeds op 17-jarige leeftijd ernstiger beperkt was dan door het Uwv is vastgesteld en dat hij niet geschikt was voor zijn maatgevende arbeid zonder dat er sprake was van aangepaste werkomstandigheden en voorwaarden. Appellant heeft zijn standpunt dat hij als jonggehandicapte dient te worden beschouwd gehandhaafd, onder verwijzing naar de reeds in bezwaar en beroep overgelegde informatie van de behandelend sector en naar een rapportage van registerarbeidsdeskundige E.H.J.M. Spanjers van 23 april 2010.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad overweegt ter zake nog het volgende.

4.2. De Raad ziet geen reden te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar) verzekeringsartsen, die in hun rapportages blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts dr. J.A.G. Wijnen appellant heeft onderzocht, waarbij zowel de behandelend psychiater Van IJken als de vader van appellant aanwezig waren en informatie hebben ingebracht. De bezwaarverzekeringsarts A. Deitz heeft appellant gezien tijdens de hoorzitting, waarbij tevens inlichtingen werden verkregen van S. Schenk, sociaal psychiatrisch verpleegkundige en begeleider van appellant en van I.C. Swinkels, als consulente sociaal juridische dienstverlening verbonden aan de stichting MEE Zuidoost Brabant. De Raad is van oordeel dat uit de door appellant ingebrachte medische stukken niet blijkt dat de medische beperkingen van appellant ten tijde hier in geding door het Uwv onjuist zijn vastgesteld.

4.3. De stelling dat appellant lijdt aan een aangeboren ontwikkelingsstoornis waardoor bij hem op 17-jarige leeftijd reeds sprake was van structurele functionele beperkingen, treft voorts geen doel. Voor de toepassing van de Wajong is niet beslissend of appellant op de dag waarop hij 17 jaar werd aan een ontwikkelingsstoornis leed of daarvan symptomen vertoonde, maar of hij op die datum zodanige beperkingen had dat hij niet in staat was om arbeid te verrichten dan wel niet in staat was om 75% van het voor hem geldende minimumloon te verdienen. Daarvan is de Raad niet gebleken. Appellant heeft zonder doublures zijn middelbare schoolopleiding afgerond en nadien met succes een HBO-opleiding informatica gevolgd. Van 1997 tot 2002 heeft hij gewerkt als software developer. De omstandigheid dat bij dit werk sprake was van aangepaste werkomstandigheden en voorwaarden, heeft er niet aan in de weg gestaan dat appellant met kennelijk succes zijn werkzaamheden heeft verricht. Appellant heeft zijn laatste baan niet verloren vanwege ongeschiktheid voor het werk maar ten gevolge van het faillissement van zijn toenmalige werkgever. Hierin kan de Raad derhalve evenmin een onderbouwing zien voor de stelling dat appellant al op de leeftijd van 17 jaar arbeidsongeschikt was. Dit wordt niet anders door de rapportage van registerarbeidsdeskundige Spanjers, die zijn bevindingen baseert op dossieronderzoek en appellant niet persoonlijk heeft gezien. De conclusies van registerarbeidsdeskundige Spanjers zijn naar het oordeel van de Raad afdoende weerlegd door de bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters in zijn rapportage van 11 juni 2010.

5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak .

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M. Mostert.

KR