Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1462

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
09/4539 AW + 09/4724 AW + 09/5909 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat de tekst van artikel 35, derde lid, van het Barp niet rechtvaardigt dat een onderscheid in beoordeling wordt gemaakt tussen cursussen voor vakbondsleden en kadercursussen voor kaderleden. Niet wordt betwist dat de cursus ‘diversiteit’ een door de vakbond georganiseerde bijeenkomst is voor vakbondsleden, die gericht is op verbetering van het functioneren van de deelnemende vakbondsleden. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om betrokkene voor het volgen van deze cursus geen buitengewoon verlof op basis van artikel 35, derde lid, van het Barp te verlenen, heeft de rechtbank dan ook terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, niet in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4539 AW

09/4724 AW

09/5909 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], Duitsland, (hierna: betrokkene),

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juli 2009, 09/681 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

de korpsbeheerder

Datum uitspraak: 6 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpsbeheerder op 12 oktober 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2010. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Haverkamp, werkzaam bij de politieregio [regio].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1 Betrokkene is werkzaam bij de politieregio [regio] en gekozen kaderlid bij de Nederlandse Politie Bond (NPB). Op 12 februari 2008 heeft hij twee dagen buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 35, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) aangevraagd voor het bijwonen van een door de NPB georganiseerde kadercursus ‘diversiteit’ (hierna: cursus).

1.2. Het verzoek is bij besluit van 18 maart 2008 afgewezen. Deze afwijzing is na bezwaar van betrokkene gehandhaafd bij het bestreden besluit van 5 januari 2009.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de korpsbeheerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Volgens de rechtbank is het aannemelijk dat de cursus de kennis en vaardigheden van betrokkene beoogt te vergroten ten dienste van zijn activiteiten binnen de vakbond en dat de cursus eraan bijdraagt dat de vakbond collega’s van uiteenlopende achtergronden activeert en beter voor de belangen van deze collega’s kan opkomen. Omdat dit belang parallel loopt aan het belang van de politieregio’s wat betreft de samenstelling een goede afspiegeling van de maatschappij te vormen, was de korpsbeheerder op grond van artikel 35, derde lid, van het Barp gehouden bijzonder verlof te verlenen voor het bijwonen van de cursus, aldus de rechtbank.

2.1. Betrokkene verzet zich in hoger beroep tegen de verwerping door de rechtbank van zijn standpunt dat kaderleden van de NPB voor elke door de NPB als kadercursus aangeduide cursus buitengewoon verlof op grond van artikel 35, derde lid, van het Barp moet worden verleend. De korpsbeheerder heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat alleen buitengewoon verlof op grond van artikel 35, derde lid, van het Barp kan worden gegeven voor cursussen die tevens gericht zijn op het verbeteren van het functioneren van de contacten met de overheid als werkgever en dat de cursus niet aan deze voorwaarde voldoet.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Artikel 35, derde lid, van het Barp luidt als volgt: “Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend voor het deelnemen aan een cursus op uitnodiging van een organisatie van ambtenaren als bedoeld in het tweede lid, met dien verstande dat dit verlof ten hoogste 48 uren per twee jaar bedraagt.” Ingevolge artikel 35, vijfde lid, van het Barp wordt dit verlof slechts verleend aan ambtenaren die lid zijn van de uitnodigende organisatie.

3.2. De Raad heeft in eerdere uitspraken (LJN AQ0525, LJN AT4541 en LJN BI3131), uitgesproken het aanvaardbaar te achten dat voor de uitleg van artikel 35, derde lid, van het Barp aansluiting wordt gezocht bij de nota van toelichting op een wijziging van artikel 33b van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: nota). Het gaat dan in het bijzonder om de uitleg van het begrip ‘cursus’ in artikel 35, derde lid, van het Barp. Voortschrijdend inzicht heeft de Raad echter tot het oordeel gebracht dat de tekst van artikel 35, derde lid, van het Barp voldoende duidelijk is en dat aansluiting zoeken bij de nota niet noodzakelijk is. De Raad heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat in de nota de ontwikkeling is geschetst van het aanbod aan cursussen door vakbonden en centrales aan aanvankelijk alleen kaderleden, maar later ook aan vakbondsleden die geen kaderlid zijn. Nergens in de nota is verwoord dat de in de nota genoemde cursussen een limitatieve opsomming bevat. Bovendien heeft ook de ontwikkeling in het aanbod van cursussen in de loop van dertig jaar niet stil gestaan. Aansluiting zoekend bij het normale spraakgebruik gaat het bij cursussen om bijeenkomsten waarin leren centraal staat. In de tekst komt tot uitdrukking dat het gaat om een cursus georganiseerd door een vakbond voor haar leden. Naar het oordeel van de Raad houdt dit in dat, als het dienstbelang het toelaat, buitengewoon verlof moet worden verleend als de ambtenaar die lid is van een vakbond deelneemt aan een door zijn vakbond georganiseerde bijeenkomst die gericht is op verbetering van zijn functioneren als vakbondslid. De uitleg die de korpsbeheerder en de rechtbank aan het begrip cursus in de zin van artikel 35, derde lid, van het Barp geven is naar het oordeel van de Raad te beperkt.

3.3. Anders dan betrokkene is de Raad van oordeel dat de tekst van artikel 35, derde lid, van het Barp niet rechtvaardigt dat een onderscheid in beoordeling wordt gemaakt tussen cursussen voor vakbondsleden en kadercursussen voor kaderleden. Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

3.4. Niet wordt betwist dat de cursus ‘diversiteit’ een door de vakbond georganiseerde bijeenkomst is voor vakbondsleden, die gericht is op verbetering van het functioneren van de deelnemende vakbondsleden. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om betrokkene voor het volgen van deze cursus geen buitengewoon verlof op basis van artikel 35, derde lid, van het Barp te verlenen, heeft de rechtbank dan ook terecht, zij het op niet geheel juiste gronden, niet in stand gelaten.

4. De aangevallen uitspraak kan, met verbetering van gronden, worden bevestigd. Bij de nieuwe beslissing op bezwaar heeft de korpsbeheerder het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en betrokkene op grond van artikel 35, derde lid, van het Barp buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging voor het volgen van de cursus op 14 en 15 februari 2008. Daarmee is volledig aan het bezwaar van betrokkene tegemoet gekomen. De Raad stelt vast dat het geding in hoger beroep zich daarom niet op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede uitstrekt tot dit besluit.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van de korpsbeheerder een griffierecht van € 447,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

IJ