Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1460

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
09-5478 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de WAO. Het Uwv heeft appellant door middel van het verzenden van een aangetekende brief aan zijn gemachtigde erop gewezen dat hem nog één en tevens de laatste mogelijkheid zou worden gegeven om aan een expertise onderzoek mee te werken en dat het wederom niet meewerken aan dit onderzoek gevolgen zou hebben voor het vaststellen van het recht op een uitkering. Niet gebleken is dat appellant een gegronde reden had om niet bij de onderzoeker te verschijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5478 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2009, 08/601 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld en bij schrijven van 6 november 2009, de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. Hoebba en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv het besluit van 8 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft genomen in opdracht van de Raad, gegeven in zijn uitspraak van 10 januari 2007. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 november 2000 is wederom ongegrond verklaard. In het besluit van 30 november 2000 is appellant de aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) onthouden, onder toepassing van artikel 30a WAO, omdat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en zij heeft hiertoe het volgende overwogen, waarbij appellant als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid:

“Gelet op het feit dat verweerders verzekeringsartsen zich tot de uitspraak van de CRvB op het standpunt stelden dat eiser reeds volledig arbeidsongeschikt was op het moment dat de verzekering voor de WAO een aanvang nam, dan wel dat uitval binnen zes maanden viel te verwachten, hebben de verzekeringsartsen blijkens de gedingstukken tot dat moment slechts vastgesteld dat eiser kampte met depressieve periodes, een antisociale persoonlijkheidsstructuur en verslavingsproblematiek en dat eiser als gevolg hiervan bij aanvang verzekering en per einde wachttijd beperkingen ondervond in persoonlijk en sociaal functioneren. Niet is vastgesteld dat eiser per einde wachttijd niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden, noch zijn zijn beperkingen vastgelegd in een FML. Kennelijk zijn de onderzoeksgegevens in het dossier volgens de bezwaarverzekeringsarts thans onvoldoende om een op een verantwoorde wijze tot een afgewogen medisch oordeel te dien aanzien te kunnen komen. Onder de geschetste omstandigheden en gelet voorts op het tijdverloop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts een nadere medische expertise niet in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten.

Vast staat dat eiser vier maal is opgeroepen voor een onderzoek bij een psychiater. Aan de eerste oproep heeft eiser geen gehoor gegeven. Naar aanleiding van de tweede oproep is eiser 1,5 uur te laat verschenen, waardoor het onderzoek evenmin doorgang kon vinden. Aan de derde en vierde oproep heeft eiser geen gehoor gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank staat op grond hiervan vast dat eiser niet meewerkt aan het noodzakelijk geachte medische onderzoek. De rechtbank overweegt dat uit de stukken niet is gebleken dat eiser niet in staat is gevolg te geven aan een oproep voor een onderzoek. De stelling dat eiser verslavings- en mobiliteitsproblematiek heeft is hiertoe onvoldoende. Bovendien is eiser ook in staat contacten te onderhouden met zijn behandelaars en is hij naar aanleiding van één van de oproepen, zij het te laat, verschenen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 30a van de WAO.”.

3.1. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij zich verschillende malen beschikbaar heeft gesteld voor een medisch onderzoek ter vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid en dat van een niet meewerken in de zin van artikel 30a van de WAO geen sprake is geweest. Tevens stelt appellant zich op het standpunt dat het voor het Uwv niet onmogelijk was om medische informatie van zijn behandelaars te verkrijgen, hetgeen eveneens als een medisch onderzoek in de zin van artikel 30a van de WAO is aan te merken. Door hem niet op te roepen voor een onderzoek in Amsterdam en geen inlichtingen in te winnen bij zijn behandelaars heeft het Uwv, naar de mening van appellant, ertoe bijgedragen dat de belastbaarheid van appellant niet kon worden vastgesteld. De Raad begrijpt deze laatst vermelde argumenten van appellant aldus dat hij wil stellen dat het Uwv hem op grond daarvan artikel 30a van de WAO niet had mogen tegenwerpen.

3.2. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat het Uwv, tegen eerder gemaakte afspraken in, het psychiatrische onderzoek in Alkmaar wilde laten plaatsvinden in plaats van in (de nabije omgeving van) zijn woonplaats. Het Uwv was, zo is namens appellant ter zitting gesteld, ervan op de hoogte dat hij wegens opname in een psychiatrische instelling of zijn psychische situatie niet in de gelegenheid was om naar een plaats (ver) buiten Amsterdam te reizen.

4.1. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Niet in geschil is dat het Uwv de bevoegdheid toekwam een medisch onderzoek in te stellen. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 11 juni 2007/2 november 2007 duidelijk gemotiveerd heeft waarom de voorhanden medische gegevens onvoldoende zijn en een psychiatrische expertise in de onderhavige zaak noodzakelijk is om te komen tot vaststelling van appellants beperkingen en belastbaarheid per einde wachttijd. De Raad ziet, met de rechtbank, geen aanknopingspunten om deze motivering door de bezwaarverzekeringsarts ontoereikend of onjuist te achten. Het standpunt van appellant dat het Uwv de benodigde medische informatie eveneens had kunnen verkrijgen door deze op te vragen bij de behandelend sector volgt de Raad niet, mede gelet op de door de bezwaarverzekeringsarts gegeven motivering. Dit geldt eveneens voor het standpunt van appellant dat hij door gehoor te gegeven aan de tweede oproep voor het onderzoek door psychiater Hassing, heeft aangetoond te willen meewerken aan een onderzoek naar zijn belastbaarheid. Door anderhalf uur te laat te verschijnen, waardoor een gepland onderzoek - naar hij kon begrijpen - geen doorgang kon vinden, heeft appellant geen medewerking verleend zoals bedoeld is in artikel 30a van de WAO.

4.2. De in 3.2 vermelde gronden slagen evenmin. Uit de telefoonnotitie van de Uwv medewerker van 9 oktober 2007 noch uit enig ander zich in het dossier bevindend gedingstuk blijkt dat er met het Uwv afspraken zouden zijn gemaakt omtrent de plaats waar het psychiatrisch onderzoek zou plaatsvinden. Uit de brief van 9 november 2007 kan naar het oordeel van de Raad enkel worden afgeleid dat het Uwv is verzocht om het onderzoek in Amsterdam te laten plaatsvinden, maar daarin staat tevens vermeld dat het onderzoek ook op een andere plaats zou kunnen plaatsvinden. Evenmin blijkt dat het Uwv ervan op de hoogte was danwel op de hoogte had moeten of kunnen zijn dat appellant zich, ten tijde van de oproepingen door psychiater Van Loenen in een psychiatrische instelling bevond.

4.3. De Raad wijst erop dat het Uwv appellant op 9 november 2007, door middel van het verzenden van een aangetekende brief aan zijn gemachtigde erop heeft gewezen dat hem nog één en tevens de laatste mogelijkheid zou worden gegeven om aan een expertise onderzoek mee te werken en dat het wederom niet meewerken aan dit onderzoek gevolgen zou hebben voor het vaststellen van het recht op een uitkering. Niet gebleken is dat appellant een gegronde reden had om niet bij de onderzoeker te verschijnen.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

KR