Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1459

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
10-2949 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum uitkering. Onbekendheid met het bestaan van de Wajong levert geen bijzonder geval op. Niet kan worden ingezien dat de late aanvraag van appellante om haar als jonggehandicapte in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering het gevolg is van een ontoereikende voorlichting zijdens het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2949 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 april 2010, 09/871(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. van Marwijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. M.H.J. van Kuilenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 18 februari 2009 ter uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wajong, zoals die luidden tot 1 januari 2010. Met het besluit van 18 februari 2009 heeft het Uwv zijn besluit van 4 november 2008 gehandhaafd waarbij de ingangsdatum van de uitkering is vastgesteld op 1 september 2007. Volgens het Uwv is geen sprake van een bijzonder geval in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Wajong.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog dat onbekendheid met wettelijke mogelijkheden geen bijzonder geval oplevert. Ook het feit dat het Uwv appellante niet heeft gewezen op het bestaan van de Wajong en bij een eerdere beoordeling van haar gezondheidssituatie besloot tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is niet een omstandigheid die tot het aannemen van een bijzonder geval leidt. De ter zitting geformuleerde beroepsgrond dat appellante niet eerder in staat is geweest een Wajong-aanvraag in te dienen heeft de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten behandeling gelaten. Geheel ten overvloede heeft zij wel overwogen dat de niet onderbouwde stelling van appellante dat haar gezondheidssituatie aan een eerdere indiening in de weg stond niet aannemelijk is.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de late indiening van de Wajong-aanvraag verband houdt met al dan niet gedwongen opnamen in psychiatrische klinieken en medicijngebruik. Zij heeft haar standpunt herhaald dat het Uwv haar na invoering van de Wajong had moeten informeren omtrent de mogelijkheid een uitkering ingevolge die wet aan te vragen.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellante heeft met een op 2 september 2008 door het Uwv ontvangen formulier een Wajong-uitkering aangevraagd. Zij heeft daarin vermeld dat zij vanaf 1980, toen zij nog student was, is behandeld in verband met psychoses.

4.2. Het is vaste rechtspraak dat een aanvraag moet worden beoordeeld naar het recht dat gold op het voor honorering van die aanvraag relevante tijdstip. Voor de Wajong-aanvraag van betrokkene betekent dit dat een beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van de bepalingen van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de wet die als voorloper van de Wajong voorzag in de mogelijkheid uitkering te verstrekken aan een jeugdgehandicapte en die gold op de dag dat appellante, terwijl zij studerende was, volgens haar opgave arbeidsongeschikt is geworden.

4.3. Na een beoordeling door de verzekeringsarts is aangenomen dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van appellante ligt in 1980. Daaruit volgt dat appellante jeugdgehandicapte is in de zin van de AAW en na inwerkingtreding van de Wajong in aanmerking kan komen voor een uitkering op grond van die wet. Het Uwv heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wajong de uitkering een jaar voor de dag van aanvraag laten ingaan.

4.4. Appellante heeft aangekondigd haar in hoger beroep betrokken stelling dat zij vanaf haar eerste psychose in 1980 tot haar aanvraag in 2008 voortdurend buiten staat is geweest om een uitkering ingevolge de AAW dan wel de Wajong aan te vragen met gegevens van haar behandelend psychiater te onderbouwen. Informatie van een psychiater is niet ingezonden. De Raad volgt appellante niet in haar betoog. Appellante is, in perioden waarin geen behandeling nodig was, als vrijwilliger actief geweest en zij heeft gewerkt in een zogenaamde Melkert-baan en via een uitzendbureau. Appellante is in staat gebleken aanvragen in te dienen voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, een aanvullende bijstandsuitkering en een uitkering ingevolge de Ziektewet. Daaruit volgt dat geen sprake is geweest van een sedert 1980 voortdurende situatie waarin het voor appellante medisch gezien niet mogelijk was de aanvraag in te dienen die nodig was voor toekenning van de in geding zijnde uitkering.

4.5. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen levert onbekendheid met het bestaan van de Wajong geen bijzonder geval op. Er was voor het Uwv in 1998 geen verplichting om appellante met aan haar gerichte informatie ervan op de hoogte te stellen dat de Wajong in werking getreden was. Appellante ziet er in haar betoog aan voorbij dat zij al eerder een AAW-uitkering had kunnen aanvragen en voorts dat zij in 1998 niet bij het Uwv bekend was. Haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen heeft zij in 1999 ingediend. Daarbij heeft zij, melding makend van een vanaf 1985 verslechterende gezondheidstoestand, geen gegevens verstrekt die wezen in de richting van een Wajong-aanspraak. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag is toen overeenkomstig de opgave van appellante vastgesteld op 19 februari 1999 en een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend met ingang van

18 februari 2000. Het bezwaar van appellante tegen dit toekenningsbesluit leidde tot een verhoging van het arbeidsongeschiktheidspercentage; tegen de vastgestelde eerste arbeidsongeschiktheidsdag is appellante niet opgekomen. Niet kan worden ingezien dat de late aanvraag van appellante om haar als jonggehandicapte in aanmerking te brengen voor een Wajong-uitkering het gevolg is van een ontoereikende voorlichting zijdens het Uwv.

4.6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat in het geval van appellante terecht een bijzonder geval niet aanwezig is geacht. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) M. Mostert.

CVG