Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
08-4658 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel ingevolge de WWB. Is terecht door het College de bijstand van appellante verlaagd omdat zij met haar bestedingspatroon in de periode hier in geding verwijtbaar onvoldoende besef voor de verantwoordelijkheid in het bestaan heeft betoond?

De Raad acht het op zich geenszins onbegrijpelijk dat appellante bij de berekening van het bedrag dat heeft te gelden als een verantwoord interingsbedrag, is uitgegaan van de bij de verkrijging van de erfenis voor haar geldende vermogensgrens van

€ 10.490,--, en niet van de voor haar tegen de tijd dat zij weer een beroep zou moeten doen op bijstand geldende vermogensgrens voor een alleenstaande. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat het College ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat, indien een bijstandsgerechtigde, met een vermogen gelegen tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande en de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder, een kind heeft dat de leeftijd van 18 jaar bereikt, wel de bijstandsnorm wordt aangepast, maar dat dit verder geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De overschrijding van de vermogensgrens voor een alleenstaande wordt aan hem in die situatie niet tegengeworpen.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/64
USZ 2011/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4658 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 27 juni 2008, 07/5466 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. Wellen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door N.C. Vlaskamp, werkzaam bij de gemeente Arnhem. Appellante is - zoals tevoren bericht - niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1983 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij kreeg op 28 september 2006 een bedrag van € 40.750,-- uit de erfenis van haar [in] 2005 overleden moeder. Het College heeft daarop de bijstand van appellante met ingang van 1 oktober 2006 geblokkeerd. Vervolgens is bij besluit van 1 februari 2007 de bijstand met ingang van 1 oktober 2006 ingetrokken, op de grond dat appellante kan beschikken over vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens. Voorts is een bedrag van

€ 18.406,84 van appellante teruggevorderd met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB wegens naderhand verkregen middelen over de periode van 30 maart 2005 tot en met 30 september 2006.

1.2. Appellante heeft op 5 juni 2007 verzocht haar opnieuw bijstand toe te kennen. Nadat de aanvraag eerst was afgewezen, is haar uiteindelijk bij besluit van 30 augustus 2007 met ingang van 5 juni 2007 bijstand toegekend, ditmaal naar de norm voor een alleenstaande, omdat de zoon van appellante op 29 december 2006 18 jaar was geworden. Voorts is op de bijstand met ingang van 5 juni 2007 een maatregel toegepast, bestaande uit een verlaging van 20% voor de duur van 18 maanden, op de grond dat appellante tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, doordat zij volgens het College haar vermogen onverantwoord heeft besteed.

1.3. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de opgelegde maatregel. Het College heeft bij besluit van 19 november 2007 het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de verlaging verkort tot een periode van 9 maanden. Daarbij is het College ervan uitgegaan dat appellante een bedrag van € 4.496,15 onverantwoord heeft ingeteerd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 19 november 2007 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB de bijstand indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

3.2. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante vanaf eind september 2006 tot 5 juni 2007 een bedrag van € 4.496,15 onverantwoord heeft besteed. Daarbij is het College uitgegaan van een zogeheten interingsnorm van anderhalf maal de bijstandsnorm en voorts van een bedrag aan vrijgesteld vermogen van € 5.245,--, de vermogensgrens voor een alleenstaande op 5 juni 2007.

3.3. Appellante heeft onder meer aangevoerd dat zij bij de berekening van het vermogen dat zij verantwoord mocht besteden was uitgegaan van een vrijgesteld vermogen van € 10.490,--, de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder op 28 september 2006. Appellante heeft voorts betoogd dat zij zich tot haar klantmanager heeft gewend om informatie over het bedrag dat door haar besteed mocht worden. De klantmanager heeft haar verwezen naar de bij de gemeente in dienst zijnde sociale raadslieden. Uit de daar verkregen informatie was haar niet gebleken dat zij diende uit te gaan van de vermogensgrens voor een alleenstaande.

3.4. De Raad stelt voorop dat het College ter zitting heeft erkend dat appellante geacht moet worden wel verantwoord te hebben ingeteerd op haar vermogen, indien bij de berekening van het verantwoorde interingsbedrag zou worden uitgegaan van de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder.

3.5. De Raad acht van belang dat appellante naar aanleiding van de door haar verkregen erfenis heeft getracht informatie te verkrijgen over de consequenties daarvan voor de bijstandsverlening. De Raad moet vaststellen dat het College niet alleen weinig voortvarend te werk is gegaan in zijn besluitvorming over de directe gevolgen van het verkregen vermogen voor de bijstand van appellante, maar dat bovendien van gemeentewege tevoren geen duidelijkheid is gegeven over wat het College thans ziet als verantwoorde intering.

3.6. Daarvan uitgaande acht de Raad het op zich geenszins onbegrijpelijk dat appellante bij de berekening van het bedrag dat heeft te gelden als een verantwoord interingsbedrag, is uitgegaan van de bij de verkrijging van de erfenis voor haar geldende vermogensgrens van € 10.490,--, en niet van de voor haar tegen de tijd dat zij weer een beroep zou moeten doen op bijstand geldende vermogensgrens voor een alleenstaande. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat het College ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat, indien een bijstandsgerechtigde, met een vermogen gelegen tussen de vermogensgrens voor een alleenstaande en de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder, een kind heeft dat de leeftijd van 18 jaar bereikt, wel de bijstandsnorm wordt aangepast, maar dat dit verder geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De overschrijding van de vermogensgrens voor een alleenstaande wordt aan hem in die situatie niet tegengeworpen.

3.7. De hiervoor onder 3.4, 3.5 en 3.6 vermelde omstandigheden in onderling verband bezien leiden de Raad tot het oordeel dat redelijkerwijs niet gezegd kan worden dat appellante met haar bestedingspatroon in de periode van 28 september 2006 tot 5 juni 2007 verwijtbaar onvoldoende besef voor de verantwoordelijkheid in het bestaan heeft betoond. Dat betekent dat het College zich ten onrechte bevoegd heeft geacht de bijstand van appellante om die reden te verlagen.

3.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen het besluit van 19 november 2007 gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 18, tweede lid, van de WWB vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 30 augustus 2007 te herroepen, voor zover het betreft de opgelegde maatregel, omdat aan dat besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft.

4. De Raad zal voorts het College veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, voor rechtsbijstand, in totaal € 966,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 19 november 2007;

Herroept het besluit van 30 augustus 2007, voor zover het betreft de opgelegde maatregel;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

IJ