Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1263

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
20-01-2011
Zaaknummer
08-6515 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Geen sprake van zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6515 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 november 2008, 08/917 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 30 november 2010, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft over de periode van 20 december 2005 tot 18 december 2007 een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. Het College heeft appellante met ingang van 16 maart 2007 bijstand verleend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, tot 18 december 2007 in aanvulling op het ziekengeld. Namens appellante is op 25 januari 2008 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor achterstanden in reguliere betalingen als huur, energie en water.

1.2. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het College de aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2008 ongegrond verklaard op de grond dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB een beletsel vormt voor verlening van bijstand voor gemaakte schulden en dat voorts geen sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB, die zouden nopen tot bijstandsverlening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 29 mei 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag van 25 januari 2008 er toe strekt bijzondere bijstand te verkrijgen ter aflossing van diverse schulden.

4.2. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige betaling van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. Niet in geschil is dat appellante ten tijde van het ontstaan van de huurschuld beschikte over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB vormde dan ook een beletsel voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.

4.3. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het College een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB waarin de mogelijkheid is opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand voor schulden te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

4.4. In de gedingstukken en in hetgeen namens appellante is aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat in haar geval sprake is geweest van zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat een schuldenlast naar vaste rechtspraak in beginsel niet kan worden aangemerkt als een zeer dringende reden. Voorts is van een dreigende huisuitzetting, welke situatie aanleiding kan zijn voor het aannemen van een zeer dringende reden, ten tijde in geding, niet gebleken. De Raad overweegt daartoe dat appellante niet alleen geen enkel stuk heeft overgelegd dat de door haar gestelde dreigende huisuitzetting onderbouwt, maar dat zij bovendien in hoger beroep heeft aangegeven dat de vordering van de woningbouwvereniging tot ontbinding en ontruiming van de door appellante bewoonde huurwoning door de kantonrechter is afgewezen.

4.5. De Raad gaat in dit verband voorbij aan de stelling van appellante dat haar psychische problematiek aanleiding had moeten zijn voor bijstandsverlening, nu zij die stelling niet met feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de periode in geding heeft onderbouwd. Het door appellante in eerste aanleg overgelegde behandelplan van

20 januari 2007 strekt zich niet uit tot de periode in geding en appellante heeft nagelaten een recentere verklaring van de hulpverlening omtrent haar geestelijke gezondheid over te leggen.

4.6. Uit hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen, volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat ten tijde in geding geen sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB en dat het College zich terecht niet bevoegd heeft geacht om de gevraagde bijzondere bijstand te verlenen.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

IJ