Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
10-3398 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek dient te worden aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 2001 en niet tegen dat van 28 november 2001. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Afwijzing verzoek tot schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3398 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 mei 2010, 10/104 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Madern, voornoemd. Als tolk was aanwezig A.M. de Jonge. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan een eerdere uitspraak van de Raad van 8 januari 2010, LJN BK8912, waarin appellant als betrokkene/belanghebbende en het Uwv als appellant is aangeduid, en welke is gewezen naar aanleiding van een door het Uwv ingesteld hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2009, 08/67, ontleent de Raad de volgende weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“1. Bij besluit van 29 juni 2001 heeft appellant geweigerd om betrokkene een WAO-uitkering te verstrekken omdat hij niet rechtmatig in Nederland verbleef. Bij besluit van 28 november 2001 is het bezwaar tegen het besluit van

29 juni 2001 ongegrond verklaard. Dat besluit is in rechte vast komen te staan.

2. Bij schrijven van 9 augustus 2006 heeft betrokkene een verzoek om herziening van het besluit van 28 november 2001 gedaan, omdat hij van mening is dat hij op basis van door de Raad inmiddels gevormde jurisprudentie per 15 mei 2001 recht heeft op een WAO-uitkering.

3.1. Bij schrijven van 28 november 2006 heeft appellant het volgende (voor zover relevant) aan betrokkene medegedeeld:

“De reden voor de afwijzing betreft de verblijfsrechtelijke status van de heer [Betrokkene]. Voor het herzieningsverzoek doet u een beroep op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Op basis van de beschikbare gegevens zijn wij van mening dat belanghebbende niet voldoet aan de uitzondering welke door de Centrale Raad van Beroep is vastgesteld. (…) Aangezien bij ons niet bekend is wat de verblijfsrechtelijke status van de heer [Betrokkene] was/is gedurende de periode 1 december 1997 tot 13 mei 2000 en van 13 mei 2000 tot heden kunnen wij op dit moment geen beslissing afgeven ten aanzien van het herzieningsverzoek. Eerst nadat is aangetoond dat de heer [Betrokkene] gedurende de periode van 1 december 1997 tot 13 mei 2000, de eerste ziektedag, rechtmatig in Nederland heeft verbleven danwel daarmee gelijk kan worden gesteld zullen wij het herzieningsverzoek in behandeling nemen.”

3.2. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij besluit van 15 november 2007 ongegrond verklaard.

3.3. Betrokkene heeft tegen het besluit van 15 november 2007 beroep ingesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 28 november 2006 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat in de brief van 15 november 2007 staat dat appellant heeft gesteld dat er geen beslissing afgegeven kon worden ten aanzien van het herzieningsverzoek en dat het herzieningsverzoek nog in behandeling moest worden genomen. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat de brief van 28 november 2006 niet aangemerkt kan worden als een besluit in de zin van de Awb omdat het niet op rechtsgevolg gericht is.

4. Appellant heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en heeft in hoger beroep aangevoerd dat de brief van 28 november 2006 wel degelijk een beslissing inhoudt ten aanzien van het herzieningsverzoek.

5. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het schrijven van appellant van 28 november 2006 geen besluit is in de zin van de Awb omdat het niet gericht is op enig rechtsgevolg. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende. Uit het schrijven van 28 november 2006 blijkt dat er niet wordt teruggekomen op een eerder besluit (“de reden voor de afwijzing betreft…”). Dat houdt naar het oordeel van de Raad een besluit in dat gericht is op rechtsgevolg. Dat de brief ook passages bevat over het mogelijke verdere verloop indien alsnog de juiste informatie wordt verstrekt doet aan het vorenstaande niet af. (…).”.

1.2. De Raad heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak ter nadere behandeling teruggewezen naar de rechtbank.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 15 november 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat, naar desgevraagd van de zijde van appellant is aangegeven, het herzieningsverzoek dient te worden aangemerkt als te zijn gericht tegen het besluit van 29 juni 2001 en niet tegen dat van 28 november 2001.

2.2. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met het standpunt van het Uwv dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft aangevoerd, die het Uwv aanleiding hadden behoren te geven tot heroverweging van het besluit van 29 juni 2001. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat het gegeven dat appellant de destijds door hem aangevraagde verblijfsvergunningen in Nederland mocht afwachten, informatie betreft die reeds voor het besluit van 29 juni 2001 kon en derhalve behoorde te worden aangevoerd. Daar komt nog bij dat uit de beslissing op bezwaar van 28 november 2001 volgt dat het Uwv er destijds mee bekend was dat appellant vanaf 4 december 1998 de door hem aangevraagde verblijfsvergunning in Nederland mocht afwachten en dit aspect heeft meegenomen in de besluitvorming.

2.3. Ook de door appellant aangevoerde beroepsgrond dat het besluit van 29 juni 2001 gelet op de uitspraak van de Raad van 24 juli 2002, LJN AE6159, onjuist is en het Uwv daarom gehouden is van dit besluit terug te komen, slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak immers vormt de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf namelijk geen grond voor het doorbreken van een rechtens onaantastbaar besluit waartegen niet in rechte is opgekomen. De omstandigheid dat uit een latere rechterlijke uitspraak blijkt dat een in het verleden genomen rechtens onaantastbaar besluit berust op een onjuiste uitleg of een verkeerde toepassing van een wettelijk voorschrift, dient volgens de rechtbank voor risico te blijven van de betrokkene die in dat besluit heeft berust.

3. Hetgeen appellant bij aanvullend beroepschrift, zoals nader toegelicht ter zitting, in hoger beroep heeft doen aanvoeren, vormt in overwegende mate een herhaling van de reeds eerder aangevoerde gronden. Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat met het besluit van 28 november 2006 door het Uwv bij hem het rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat zou worden overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van zijn herzieningsverzoek. Ten slotte heeft appellant op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van het Uwv schadevergoeding gevorderd wegens een gestelde (te verwachten) overschrijding van de redelijke termijn van de procedure, als gevolg van een te lange bestuurlijke besluitvorming.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij zich volledig kan vinden in het oordeel van de rechtbank, en met de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen, dat hetgeen appellant in het kader van zijn verzoek aan het Uwv om terug te komen van het besluit van 29 juni 2001 naar voren heeft gebracht niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb kan worden aangemerkt. De Raad maakt het oordeel en de overwegingen van de rechtbank tot de zijne.

4.2. Voorts overweegt de Raad dat het beroep van appellant op gewekte verwachtingen - welk beroep, naar desgevraagd ter zitting is aangegeven, uitsluitend ziet op het verrichten van een inhoudelijke beoordeling van zijn herzieningsverzoek en niet op het resultaat van die beoordeling - reeds faalt omdat dat dit is achterhaald; immers, naar ook door de Raad expliciet is overwogen in zijn in rechtsoverweging 1.1 genoemde uitspraak van 8 januari 2010, is het herzieningsverzoek door het Uwv inhoudelijk beoordeeld - en afgewezen - bij het besluit van 28 november 2006.

4.3. De Raad voegt daaraan, gelet op het overwogene onder 4.2 strikt ten overvoede, nog toe dat in het onderhavige geval geenszins is gebleken van enige bevoegdelijk gedane, schriftelijke, uitdrukkelijke en eenduidige toezegging door het Uwv waaraan appellant de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen op een voor hem positief uit te vallen heroverweging van het besluit van 29 juni 2001.

4.4. Ten slotte wijst de Raad af het ter zitting gedane verzoek van appellant tot schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat, gegeven de ontvangst op 5 januari 2007 van het bezwaarschrift tegen het besluit van 28 november 2006, bij het doen van de onderhavige uitspraak sprake is van een slechts (zeer) beperkte overschrijding van bedoelde termijn en dat het verzoek eerst in een laat stadium kort voor het verstrijken van de termijn van vier jaren voor de gehele procedure is gedaan.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) D.E.P.M. Bary.

TM