Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
08-5150 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijstand ingevolge de WWB buiten behandeling gelaten op de grond dat appellant niet binnen de gestelde termijn voor de behandeling van de aanvraag de ontbrekende gegevens heeft overlegd. De Raad volgt appellant evenmin in zijn stelling dat hij op 17 oktober 2007 heeft verzocht om verlenging van de termijn. De Raad overweegt hiertoe dat het College heeft ontkend de brief van 3 oktober 2007, met daarop de aantekening van appellant dat de gevraagde gegevens zouden volgen, te hebben ontvangen. Voorts is niet gebleken dat appellant voor of op 17 oktober 2007 contact heeft opgenomen met de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Tilburg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5150 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 juli 2008, 08/481 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Nunnikhoven, thans advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nunnikhoven. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 19 september 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij brief van 3 oktober 2007 heeft het College appellant verzocht uiterlijk 17 oktober 2007 ontbrekende gegevens, waaronder ontbrekende bankafschriften, te overleggen. Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten op de grond dat appellant niet voor 17 oktober 2007 de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.

1.2. Bij besluit van 13 december 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 december 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat hij op 17 oktober 2007 schriftelijk heeft aangegeven dat hij de gevraagde stukken verwachtte en dat hij als gevolg van een ontruiming van zijn woning niet over de stukken kon beschikken. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de gegeven hersteltermijn onredelijk kort is. Zijn verzoek van 17 oktober 2007 moet worden opgevat als een verzoek om verlenging van deze termijn.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant de gevraagde gegevens, waaronder bankafschriften en een bewijs van beƫindiging van een buitenlandse spaarrekening, niet binnen de in de brief van 3 oktober 2007 gestelde termijn heeft overgelegd. Niet betwist is dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag van appellant om bijstand. Naar het oordeel van de Raad moet appellant ten tijde in geding redelijkerwijs in staat zijn geweest om via de banken over de gevraagde gegevens te beschikken en deze tijdig over te leggen. De Raad acht de gegeven hersteltermijn van twee weken dan ook niet onredelijk kort. Overigens is niet gebleken dat appellant in de periode van 3 oktober 2007 tot en met 17 oktober 2007 heeft getracht de gevraagde gegevens van de Postbank en Delta Lloyd te Poppel te verkrijgen. Daarbij merkt de Raad op dat dit niet kan worden afgeleid uit de brief van de Postbank van 21 november 2007, waarbij aan appellant een vervangend bankafschrift is gestuurd, en de schriftelijke verklaring van Delta Lloyd Poppel van 29 november 2007 inzake de administratieve afsluiting van de rekening van appellant op 4 november 2002.

4.5. De Raad volgt appellant evenmin in zijn stelling dat hij op 17 oktober 2007 heeft verzocht om verlenging van de termijn. De Raad overweegt hiertoe dat het College heeft ontkend de brief van 3 oktober 2007, met daarop de aantekening van appellant dat de gevraagde gegevens zouden volgen, te hebben ontvangen. Voorts is niet gebleken dat appellant voor of op 17 oktober 2007 contact heeft opgenomen met de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Tilburg.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag voor bijstand van 19 september 2007 buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L. Venneman.

RB