Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
08/6293 ANW + 08/6294 ANW + 09/2541 ANW + 09/2542 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering nabestaandenuitkering. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6293 ANW

08/6294 ANW

09/2541 ANW

09/2542 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 september 2008, 07/5341 en 07/5439 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A.C. Geurts, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Namens appellante zijn verschenen mr. Geurts en [B.]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 oktober 1983 een nabestaandenuitkering, laatstelijk op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.2. Naar aanleiding van een tip van de sociale recherche van de gemeente Waalwijk van 19 september 2006 is het vermoeden gerezen dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met [B.] op het adres [adres 1] te [woonplaats]. De sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verstrekte uitkering. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen en is in de periode van 19 september 2006 tot en met 3 oktober 2006 een vijftal waarnemingen verricht aan het adres [adres 1] te [woonplaats]. Vervolgens heeft de sociale recherche in de periode van 12 februari 2007 tot en met 12 maart 2007 een stelselmatige observatie uitgevoerd op voornoemd adres. Voorts heeft zij verscheidene getuigen gehoord en appellante en [B.] als verdachten van strafbare feiten verhoord. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat op 23 april 2007 is gesloten.

1.3. Op grond van de bevindingen van het onderzoek heeft de Svb bij besluit van 15 mei 2007 appellante meegedeeld dat haar nabestaandenuitkering eindigt op 30 september 1997 op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Tevens is haar meegedeeld dat haar tot eind maart 2007 ten onrechte nabestaandenuitkering is uitbetaald tot een bedrag van € 85.846,43.

1.4. Bij besluit van 10 juli 2007 heeft de Svb over de periode van 30 september 1997 tot en met 31 maart 2007 een bedrag van € 85.846,43 aan te veel betaalde nabestaandenuitkering van appellante teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 7 november 2007 heeft de Svb het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 mei 2007 ongegrond verklaard, onder handhaving van de herziening (lees: intrekking) van de nabestaandenuitkering over de periode van 30 september 1997 tot en met 31 maart 2007.

Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum is het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 juli 2007, voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering, ongegrond verklaard.

1.6. Bij herzien besluit op bezwaar van 12 februari 2008 heeft de Svb het recht op nabestaandenuitkering herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 30 september 1997 tot 1 juni 2000 en over de periode van 1 mei 2005 tot en met 31 maart 2007. Aan dit besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat de bij appellante inwonende dochter op

20 juni 2000 achttien jaar is geworden zodat vanaf dat moment sprake was van een meerpersoonshuishouding in de periode van 1 januari 2000 tot 1 mei 2005. Aangezien de dochter van appellante per april of mei 2005 feitelijk op een ander adres is gaan samenwonen met haar vriend, was er vanaf dat moment niet langer sprake van een meerpersoonshuishouding en is het recht op 1 mei 2005 (opnieuw) beëindigd.

Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum heeft de Svb over de periode van 30 september 1997 tot en met 1 juni 2000 en 1 mei 2005 tot en met 31 maart 2007 een bedrag van € 51.972,19 van appellante teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht - het door appellante ingestelde beroep tegen de besluiten van 12 februari 2008 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en de Svb opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft de besluiten van 12 februari 2008 vernietigd omdat de Svb heeft erkend dat appellante en [B.] niet al vanaf 30 september 1997 maar pas vanaf 16 april 1998 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche genoegzaam is komen vast te staan dat appellante en [B.] gedurende de resterende te beoordelen perioden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en blijk gaven zorg te dragen voor elkaar, zodat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellante en [B.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en gehouden was tot intrekking en terugvordering over te gaan.

3. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de Svb bij besluit van 4 februari 2009 de periode waarover de nabestaandenuitkering is ingetrokken gewijzigd in de periode van 16 april 1998 tot 1 juni 2000 en 1 mei 2005 tot en met 31 maart 2007.

Bij afzonderlijk besluit van eveneens 4 februari 2009 heeft de Svb het over de genoemde perioden teruggevorderde bedrag teruggebracht tot € 45.897,63. De Raad merkt deze besluiten aan als besluiten die op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid en 6:24

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moeten worden betrokken.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Zij betwist het oordeel van de rechtbank dat zij en [B.] een gezamenlijke huishouding voeren. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat de intrekking en terugvordering ten onrechte mede de periode van 1 mei 2005 tot en met 30 april 2006 omvat, aangezien haar dochter niet in 2005 maar pas per 1 mei 2006 het huis heeft verlaten.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. Nu hier de intrekking van een nabestaandenuitkering, en dus een belastend besluit, in geding is, is het in eerste instantie aan de Svb om aannemelijk te maken dat in de relevante periode sprake was van gezamenlijke huishouding.

5.3. Volgens appellante hebben zij en [B.] geen gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning gehad, aangezien [B.] zijn hoofdverblijf in Portugal heeft en het merendeel van de tijd daar verblijft.

5.4. Vaststaat dat appellante en [B.] op verschillende adressen staan ingeschreven in Nederland en Portugal. Voor de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet volgens vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

5.5. Uit het onderzoek is gebleken dat appellante en [B.] op 15 september 1997 samen het huis aan de [adres 1] te [woonplaats] hebben gekocht. De woning is voor tweederde deel eigendom van [B.] en voor eenderde deel van appellante. Appellante en [B.] hebben in 2001 in Portugal een huis gekocht in dezelfde eigendoms-verhouding. Gebleken is dat [B.] bij allerlei instanties geregistreerd staat op het adres [adres 1] te [woonplaats] en dat dit adres ook vermeld staat op de toeristische overeenkomst die [B.] op 25 november 2004 heeft gesloten in verband met de aankoop van een chalet op [naam camping] te [naam gemeente].

5.6. Op 19 maart 2007 heeft de sociale recherche een buurtonderzoek verricht in de [straatnaam]. De bewoner van [nr.] heeft verklaard dat hij sinds 1989 aan de [straatnaam] woonachtig is, dat hij goed zicht heeft op [nr.], redelijk kan beoordelen wie op [nr.] wonen en dat dat appellante en [B.] zijn. De bewoonster van [nr.] heeft verklaard dat zij sinds 1989 in de [straatnaam] woont en dat op het adres [straatnaam] [nr.] appellante en [B.] wonen. De bewoner van [nr.] heeft verklaard dat hij ongeveer 20 jaar in de [straatnaam] woont en niet beter weet dan dat hij aan de overzijde een buurman en buurvrouw heeft wonen. De bewoonster van [nr.] heeft verklaard dat zij geen ander beeld heeft dan dat zij naast haar op [nr.] een stel, man en een vrouw, als buren heeft.

5.7. Appellante heeft op 20 maart 2007 tegenover de sociale recherche onder meer de volgende verklaringen afgelegd.

“[J.] heeft ook een huis in Portugal. Dat is een vakantiewoning. Als hij in Portugal is dan slaapt hij daar. Hij heeft een hekel aan hotels. Ik kom daar zelf ook wel eens. Ik ga niet mee als hij voor zaken moet. Maar we gaan er als ik er tussen uit wil samen heen. Ik weet niet wat destijds de reden is geweest dat [J.] zich naar Portugal heeft laten uitschrijven. Inderdaad keert [J.] steeds terug op het adres [adres 1] en hij heeft ook aan de [adres] in [woonplaats] zijn kantoor. Als ik moet zeggen waar [J.] het meeste is dan zeg ik dat [J.] heel veel weg is. Dan in Spanje, Portugal of Italië. Maar in Nederland heeft hij ook een slaapadres nodig en dan is hij bij mij.”

“Over het daadwerkelijke gebruik van onze woning is tussen ons verder niets beschreven. Over en weer maken wij gebruik van de hele woning. Ook in Portugal hebben we elkaar geen beperkingen opgelegd aangaande het gebruik van de woning.”

“ Inderdaad heb ik u aangegeven dat [J.] telkens zijn terugkomadres heeft in de woning in [woonplaats]. Behoudens zijn zakenreizen verblijft hij dus in onze woning in [woonplaats].”

5.8. Ter zitting heeft [B.] bevestigd dat hij veel op zakenreis is, voorheen vooral in Noord- en Midden-Europa, de laatste jaren in Spanje, Italië en Portugal. Hij heeft verklaard 20 tot 25 % van de tijd in Nederland te verblijven en 40 tot 45% in Portugal. De zakenreizen worden betaald vanuit de holding die in Nederland is gevestigd.

5.9. Gelet op het onder 5.5 tot en met 5.8 vermelde, heeft de Svb naar het oordeel van de Raad aannemelijk gemaakt dat [B.] ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning aan de [adres 1] te [woonplaats]. De stellingen dat de verklaringen van de getuigen onvoldoende concreet zijn om tot dit oordeel te komen en dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de verklaringen die getuigen later hebben afgelegd, maken dat niet anders. Daarbij wijst de Raad op de omstandigheid dat de gehoorde bewoners uit de [straatnaam] daar al lange tijd wonen, zodat zij een goed beeld van de situatie hebben. Daarbij heeft de rechtbank in overeenstemming met de vaste rechtspraak van de Raad terecht meer betekenis toegekend aan de aanvankelijke tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, dan aan de later op verzoek van appellante afgelegde verklaringen. De enkele omstandigheid dat [B.] veel op zakenreis is, als gevolg waarvan hij het merendeel van de week niet in de [straatnaam] overnachtte en soms lange tijd niet door zijn buren werd gezien, brengt niet met zich dat hij zijn hoofdverblijf niet in de [straatnaam] zou hebben. Daarbij is van belang dat het centrum van zijn activiteiten zich in [woonplaats] bevond, dat hij van daar vertrok om er weer terug te keren en niet is gebleken van een plaats waar hij duurzaam verbleef dan in de meergenoemde woning in [woonplaats]. Dat er voorts zodanige ongeoorloofde druk op appellante zou zijn uitgeoefend dat de Svb niet op de door haar afgelegde verklaring zou mogen afgaan, is niet gebleken.

5.10. Nu de Svb er vanuit heeft mogen gaan dat appellante en [B.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, had het op de weg van appellante gelegen met tegenbewijs aannemelijk te maken dat de situatie anders lag en dus dat [B.] zijn hoofdverblijf elders had. Appellante heeft dat niet gedaan. Het eerst ter zitting gedane aanbod dit alsnog te doen acht de Raad te laat. Weliswaar is namens appellante gesteld dat in de strafzaak de benodigde bewijzen zijn overgelegd, maar niet valt in te zien waarom appellante deze bewijzen in de onderhavige zaak niet in een eerder stadium had kunnen overleggen.

5.11. Het subsidiaire betoog dat de dochter van appellante feitelijk tot 1 mei 2006 in de [adres 1] woonachtig was slaagt ook niet. Appellante heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat haar dochter op 1 mei 2006 al een klein jaar in het chalet op de [naam camping] woonde. Deze verklaring vindt steun in de door de buren afgelegde verklaringen, de op 16 april 2007 afgelegde verklaring van de vriendin van de dochter van appellante en de schriftelijke verklaring van de beheerder van [naam camping] van 5 april 2007.

5.12. De rechtbank is voorts afdoende ingegaan op de stellingen van appellante dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat het vertrouwensbeginsel is geschonden.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden en leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

5.13. Uit het hiervoor overwogene volgt dat appellante in de periode van 16 april 1998 tot 1 juni 2000 en van 1 mei 2005 tot en met 31 maart 2007 een gezamenlijke huishouding met [B.] heeft gevoerd. Dit betekent, gelet op artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw, dat het recht op nabestaandenuitkering van appellante op 16 april 1998 respectievelijk 1 mei 2005 eindigde.

De Svb was dan ook ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Anw gehouden de nabestaandenuitkering van appellante over genoemde periode in te trekken en de onverschuldigd uitgekeerde nabestaandenuitkering ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Anw van appellante terug te vorderen. Daarbij is van belang dat van dringende redenen als bedoeld in artikel 34, tweede lid, en artikel 53, vierde lid, van de Anw om geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering af te zien niet is gebleken.

5.14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking. Daaruit volgt tevens dat het beroep tegen de besluiten van 4 februari 2009 ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen de besluiten van 4 februari 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

IJ