Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1137

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-01-2011
Datum publicatie
19-01-2011
Zaaknummer
09-4720 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage. Ten aanzien van 2007: Een eventuele stapeling van eigen bijdragen ingevolge de Wmo en de AWBZ in het kader van de AWBZ kan worden verrekend. Prioriteit is gegeven aan de eigen bijdrage ingevolge de Wmo. De Raad is van oordeel dat CAK de eigen bijdrage ingevolge de Wmo in de facturen 1 en 2 conform de geldende regelgeving in rekening heeft gebracht. Ten aanzien van 2008: Appellante heeft ten aanzien van factuur 5 slechts aangevoerd dat sprake is van rechtsongelijkheid bij de vaststelling van de wijze van betaling van de eigen bijdragen in het kader van de Wmo. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat een persoon die zowel een eigen bijdrage in het kader van de Wmo als de AWBZ verschuldigd is, de bijdrage zelf dient te betalen, terwijl het bedrag dat een persoon die alleen een eigen bijdrage ingevolge de Wmo of de AWBZ verschuldigd is, wordt ingehouden op het persoonlijk budget. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/90
JWWB 2011/65
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4720 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 juli 2009, 08/2938 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten b.v. (hierna: CAK).

Datum uitspraak: 5 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2010. Appellante is verschenen samen met, haar echtgenoot. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door haar medewerkers mr. L.C.A. van Eer, mr. I.A.H.F. Frans en S. Eckhardt.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is bij besluit van 18 april 2007 met ingang van 22 februari 2007 door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist (verder: het College) in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden in de vorm van een persoonsgebonden budget (verder: PGB) op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo).

1.2. Bij besluit van 3 september 2007 heeft CAK de voorlopige maximale eigen bijdrage voor het jaar 2007 vastgesteld op € 288,72 per periode van vier weken.

1.3. Bij factuur van 23 januari 2008 (verder: factuur 1) heeft CAK appellante voor geleverde Wmo-zorg over periode 12/2007 een bedrag van € 288,72 in rekening gebracht.

1.4. Bij factuur van 19 februari 2008 (verder: factuur 2) heeft CAK appellante voor geleverde Wmo-zorg over periode 13/2007 een bedrag van € 288,72 in rekening gebracht.

1.5. Bij besluit van 28 maart 2008 heeft CAK de maximale eigen bijdrage voor het jaar 2008 vastgesteld op € 645,40 per periode van vier weken.

1.6. Bij factuur van 28 maart 2008 (verder: factuur 3) heeft CAK appellante voor geleverde Wmo-zorg over periode 1/2008 een bedrag van € 557,08 in rekening gebracht.

1.7. Bij factuur van 24 april 2008 (verder: factuur 4) heeft CAK appellante voor geleverde Wmo-zorg over periode 2/2008 een bedrag van € 557,08 in rekening gebracht.

1.8. Bij besluit van 7 juni 2008 heeft CAK de maximale eigen bijdrage voor het jaar 2008 gewijzigd vastgesteld op € 219,52 per periode van vier weken.

1.9. Bij factuur van 27 juni 2008 (verder: factuur 5) heeft CAK appellante voor geleverde Wmo-zorg over de periodes 1 en 2 2008 een bedrag van € 219,52 per periode in rekening gebracht en bepaald dat appellante per periode een bedrag van € 337,56 terugontvangt omdat reeds eerder is gefactureerd.

1.10. Bij besluit van 28 augustus 2008 heeft CAK de bezwaren tegen de facturen 1, 2 en 5 ongegrond verklaard en de bezwaren tegen het besluit van 28 maart 2008 en tegen de facturen 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2008 ongegrond verklaard. Zij heeft onder meer geoordeeld dat de hoogte van de eigen bijdrage voor het jaar 2007 in rechte vaststaat, omdat niet is gebleken dat appellante rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 3 september 2007.

De facturen 1 en 2 zijn een uitvoering van dat besluit en niet afzonderlijk gericht op rechtsgevolg. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 7 juni 2008 in rechte vaststaat, nu hiertegen geen bezwaar is gemaakt en de facturen 3 en 4 een uitvoering zijn van dat besluit en niet afzonderlijk zijn gericht op rechtsgevolg.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft onder meer gesteld dat zij geen uitnodiging voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en evenmin de aangevallen uitspraak heeft ontvangen. Het hoger beroep richt zich voorts tegen de hoogte van de door CAK vastgestelde maximale eigen bijdrage. Volgens appellante betaalt zij in 2007 een dubbele eigen bijdrage, aangezien zij dat jaar eveneens de eigen bijdrage ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (verder: AWBZ) aan het Zorgkantoor heeft betaald. Ten aanzien van het jaar 2008 heeft appellante aangevoerd dat het feit dat zij zowel in het kader van de AWBZ als in dat van de Wmo een eigen bijdrage dient te betalen tot gevolg heeft dat sprake is van rechtsongelijkheid ten opzichte van personen die een eigen bijdrage op grond van één van beide wetten betalen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt allereerst dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak is uitgegaan van een onjuiste lezing van het bestreden besluit, nu zij in rechtsoverweging 1.1 heeft overwogen dat CAK de bezwaren van appellante tegen de facturen 1 en 2 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voorts heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.6 ten onrechte vastgesteld dat de facturen 1 en 2 een uitvoering zijn van het besluit van 3 september 2007 en niet afzonderlijk zijn gericht op rechtsgevolg. Reeds om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Het door appellante ten aanzien van het niet ontvangen van de aangevallen uitspraak en de uitnodiging voor de behandeling van het beroep ter zitting gestelde behoeft geen nadere bespreking, nu de aangevallen uitspraak reeds op de voornoemde grond wordt vernietigd.

4.2. De Raad zal vervolgens doen hetgeen de rechtbank zou behoren te doen en beoordelen of de door appellante tegen het besluit van 28 augustus 2008 aangevoerde beroepsgronden doel treffen.

4.3. Artikel 15 van de Wmo bepaalt:

“1. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat een persoon van 18 jaren of ouder aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend, voor zover die ondersteuning bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget en niet bestaat uit een aan hem verleende financiële tegemoetkoming, een eigen bijdrage is verschuldigd.

2. De hoogte van de eigen bijdrage kan voor de verschillende soorten van maatschappelijke ondersteuning verschillend worden vastgesteld en mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning is verleend en van zijn echtgenoot.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdrage.”

4.4. In artikel 7 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zeist 2007 (verder: de Verordening) is neergelegd dat bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd is of indien het gaat om een financiële tegemoetkoming dat deze wordt afgestemd op het inkomen. Het College legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Zeist de omvang van deze bijdrage en het eigen aandeel vast.

4.6. Ten aanzien van 2007

4.6.1. De Raad stelt vast dat de beroepsgronden van appellante gericht zijn tegen alle facturen van CAK over het jaar 2007. Niet is gebleken dat er door of namens appellante bezwaar is gemaakt tegen andere facturen van CAK over 2007 dan de facturen 1 en 2 binnen de daartoe ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn van zes weken, zodat de beslissing op bezwaar van 28 augustus 2008 daarover niet gaat. De Raad zal die andere facturen dan ook niet bespreken.

4.6.2. Ter beoordeling staat of CAK bij de facturen 1 en 2 terecht en op juiste gronden een eigen bijdrage voor geleverde zorg ingevolge de Wmo over de periode 12 en 13 van 2007 van € 288,72 in rekening heeft gebracht. De Raad stelt vast dat in de Wmo en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur, het Besluit maatschappelijke ondersteuning van 2 oktober 2006 (Staatsblad 2006, 450), verder: het Besluit, voor de vaststelling en inning van de eigen bijdrage geen anticumulatie-regeling met de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ is neergelegd. In de nota van toelichting bij het Besluit staat onder punt 4 hieromtrent vermeld dat ´de begrenzing aan de stapeling is geregeld door het anticumulatiebeding zoals dat onder de Wvg gold, ook voor de Wmo te regelen. Anders dan bij de Wvg gaat de Wmo-bijdrage thans voor op de AWBZ. Dit betekent dat burgers die voor een bepaalde Wmo voorziening reeds een eigen bijdrage betalen, maar daarvoor het maximum nog niet hebben bereikt, voor de AWBZ slechts een eigen bijdrage betalen tot het voor hen geldende maximum`. Het samenstel van regels brengt derhalve mee dat een eventuele stapeling van eigen bijdragen ingevolge de Wmo en de AWBZ in het kader van de AWBZ kan worden verrekend en dat prioriteit is gegeven aan de eigen bijdrage ingevolge de Wmo. De Raad is van oordeel dat CAK de eigen bijdrage ingevolge de Wmo in de facturen 1 en 2 conform de geldende regelgeving in rekening heeft gebracht, zodat de op 2007 betrekking hebbende beroepsgrond niet slaagt.

4.7. Ten aanzien van 2008

4.7.1. De Raad stelt vast dat appellante ten aanzien van factuur 5 slechts heeft aangevoerd dat sprake is van rechtsongelijkheid bij de vaststelling van de wijze van betaling van de eigen bijdragen in het kader van de Wmo. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat een persoon die zowel een eigen bijdrage in het kader van de Wmo als de AWBZ verschuldigd is, de bijdrage zelf dient te betalen, terwijl het bedrag dat een persoon die alleen een eigen bijdrage ingevolge de Wmo of de AWBZ verschuldigd is, wordt ingehouden op het persoonlijk budget. Van ongelijke behandeling van gelijke gevallen is de Raad niet gebleken, reeds niet omdat de vergelijking wordt gemaakt met gevallen die onder een geheel ander wettelijk regime vallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel van appellante faalt derhalve.

4.8. Uit het overwogene in 4.6 tot en met 4.7.1 vloeit voort dat het beroep van appellante tegen het besluit van 28 augustus 2008 niet slaagt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Bepaalt dat CAK aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.)R.L.G. Boot.

JvS