Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
09-5376 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft op geld waardeerbare werkzaamheden verricht en verzwegen. Het recht op bijstand is niet vast te stellen. Volledige intrekking en terugvordering zijn terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5376 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 augustus 2009, 08/781 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.W.M. Melief, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Melief. Het College heeft zich - zoals vooraf bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand sinds 19 augustus 2005 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In een rapportage bestandsonderhoud heeft consulent M. Laarhuis (hierna: de consulent) op 14 december 2007 - samengevat en voor zover hier van belang - het volgende gerapporteerd. Appellant, 21 jaar oud, woont bij zijn ouders. Hij heeft deelgenomen aan het project Transport, gericht op uitstroom. In het kader hiervan heeft hij verklaard dat hij een auto met een waarde van € 30.000,-- had gekocht die op naam van zijn vader staat en dat hij sinds 2005 in het bedrijf van zijn ouders werkervaring opdoet. Op 29 november 2007 heeft appellant op vragen van zijn consulent bevestigd werkzaamheden te verrichten in het bedrijf van zijn ouders, een detail- en groothandel in auto’s en im- en export van auto’s (hierna: het autobedrijf). Verder verklaarde appellant dat hij af en toe werkte bij een autopoetsbedrijf in Hengelo (hierna: het poetsbedrijf), dat hij niets voor zijn werkzaamheden ontvangt en dat hij bij het bedrijf in Hengelo soms mag mee-eten. De consulent heeft appellant uitgenodigd voor een nader gesprek. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij liever niet komt op dinsdag, donderdag en vrijdag, omdat hij “hun” dan moet helpen. Uitgenodigd voor een afspraak op donderdag 13 december 2007 om 10 uur heeft appellant gevraagd om een afspraak zo vroeg mogelijk, omdat hij dan nog met zijn vader mee kan naar de autobeurs in [vestigingsplaats]. Tijdens dit gesprek heeft appellant zijn curriculum vitae overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft appellant verklaard dat hij sinds 1 à 2 jaar zijn ouders op dinsdag, donderdag hij en vrijdag helpt in hun bedrijf. Die werkzaamheden bestaan uit het ophalen en wegbrengen van auto’s, naar het postkantoor gaan (naar de Raad begrijpt: om kentekens te laten overschrijven) en handelen en onderhandelen in auto’s. Bij het poetsbedrijf werkt hij alleen als het druk is. Hij haalt dan auto’s op en brengt auto’s weg. Hij ziet dit als een vriendendienst. Hij wil van beide bedrijven geen geld hebben. Appellant heeft een verklaring opgesteld en ondertekend waarin hij heeft aangegeven sinds wanneer hij bij welk bedrijf hoeveel uren werkt. De consulent heeft appellant ermee geconfronteerd dat de gewerkte uren als fictief inkomen kunnen worden gekort. Daarop heeft appellant mondeling en schriftelijk verklaard te stoppen met die werkzaamheden. Appellant heeft nog verklaard dat hij vaak winst maakt op de auto’s. Gevraagd wat hij daarmee doet, heeft hij verklaard: “Opeten”. Gevraagd of dat geen inkomsten zijn, verklaarde appellant dat dit winst is en dat hij daarvan zijn schulden betaalt. Nadien verklaarde hij dat hij die winst voor zijn vader maakt. Ook heeft hij nog verklaard dat hij alleen maar een uitkering heeft om verzekerd te zijn en niet voor die € 500,--. In het gesprek heeft appellant gewag gemaakt van zijn ambitie om een eigen autobedrijf op te zetten.

1.3. Tot de gedingstukken behoort een door appellant op 28 oktober 2007 ingevuld en ondertekend intakeformulier van het Werkplein voor werk en inkomen van de gemeente Enschede in het kader van het project Transport voor de functie vrachtwagenchauffeur nationaal/internationaal. Daarin heeft appellant onder meer verklaard dat hij als hulpkracht gewerkt heeft bij het autobedrijf in de functie van ophalen en wegbrengen van auto’s en bij het poetsbedrijf in de functie van auto’s poetsen en wegbrengen. Voorts heeft hij daar opgeschreven: “Ik heb tot nu toe veel afwisselend werk gedaan, maar het meeste wat ik doe waar ik goed in ben, dat is het vervoer van goederen met bus, oplegger, aanhangwagen, auto, etc. Ik help dan voor autobedrijf; ik heb mijn ervaring hierdoor opgebouwd. Ik ben heel vaak op de autobaan weg van huis.” Op de vraag waaruit zijn competentie van flexibel zijn blijkt heeft hij op dit formulier geantwoord: “autohandelaar, poetser”. Bij dit intakeformulier is een curriculum vitae gevoegd. Daar staat bij het onderwerp werkervaring:”Heden help ik mijn ouders als hulpkracht op de autoveiling te [vestigingsplaats] (auto’s ophalen/brengen, onderhandelen, etc.) Onder het onderwerp opmerkingen is daaraan toegevoegd: “Ik heb heel veel ervaring kunnen opdoen als onderhandelaar in auto’s, in / uitverkoop en als chauffeur”.

Tot de gedingstukken behoort verder een tweede curriculum vitae, namelijk een exemplaar dat appellant heeft overgelegd aan de consulent. Daarin is onder het onderwerp werkervaring het volgende vermeld: “Van ’t jaar 2005 t/m heden werk ik 2 à 3 keer per week als hulpkracht bij een autobedrijf te Enschede, ik heb ze daar geholpen en ervaring opgebouwd in het ophalen en wegbrengen van auto’s en het vervoeren van producten met auto’s, aanhangwagens en bedrijfsauto’s. Daarnaast help ik de rest van de dagen een bedrijf in Hengelo (autopoetsbedrijf); daar doe ik bijna ’t zelfde: het ophalen wegbrengen van bedrijfswagens.”.

Zo behoort ook tot de gedingstukken de onder 1.2 genoemde, door appellant ondertekende verklaring over de werkzaamheden. Daarin verklaart appellant dat hij sinds 2005 24 uur per week werkt bij het autobedrijf te Enschede op dinsdag, donderdag en vrijdag en sinds maanden in 2007 werkt bij het poetsbedrijf in Hengelo als oproephulpkracht. Daaraan is toegevoegd: “Vanaf heden stop ik met bovengenoemde werkzaamheden. Ook met onderhandelen!”

Tot de gedingstukken behoren ten slotte ook kopieën van bankafschriften van de rekening van appellant in de periode vanaf 1 augustus 2005 tot en met 3 oktober 2007. Volgens deze afschriften is in die periode met de pinpas van appellant ongeveer 120 keer een transactie gedaan bij een benzinestation of een autoservicebedrijf, meestal tot een bedrag van niet meer dan € 20,00 en voor een groot deel in Enschede. Achttien van die transacties zijn verricht in [vestigingsplaats], voorts in de plaatsen Capelle aan den IJssel, Moordrecht, Hengelo, Holten, De Wilp en Apeldoorn.

1.4. Op 17 december 2007 hebben twee ambtenaren van de gemeente Enschede appellant, nadat hem meegedeeld was dat hij niet tot antwoorden verplicht was, in het kader van een fraudeonderzoek verhoord. Volgens het daarvan vervaardigde schriftelijke weergave zou appellant zijn eerdere verklaringen, zoals neergelegd in de rapportage van 14 december 2007, gedeeltelijk hebben ontkend, afgezwakt of veranderd. Appellant heeft geweigerd die verklaring te ondertekenen. Appellant heeft een klacht ingediend tegen de discriminerende wijze van verhoren. Het College heeft die klacht gegrond verklaard.

1.5. Bij brief van 2 januari 2008 heeft het College appellant verzocht overzichten en bewijzen in te leveren van onder meer gewerkte uren met data en tijdstippen bij het autobedrijf en het poetsbedrijf, van de inkomsten die met die werkzaamheden zijn verkregen en van de door appellant gekochte en verkochte auto’s. Appellant heeft in reactie hierop aan het College geschreven dat deze gegevens niet van toepassing zijn.

1.6. Bij brief van 18 december 2007 heeft het College appellant geen toestemming verleend om vanaf 19 december 2007 op vakantie te gaan. In verband daarmee heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 19 december 2007 beëindigd.

1.7. Bij besluit van 28 januari 2008 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 19 augustus 2005 op de grond dat appellant niet de gegevens heeft verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat daarom dat recht niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 30 januari 2008 heeft het College de kosten van verleende bijstand over de perioden van 19 augustus 2005 tot en met 16 juli 2006 en van 4 september 2006 tot en met 18 december 2007 tot een bedrag van € 10.157,42 van appellant teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Daarbij heeft hij verklaringen overgelegd van het autobedrijf, van het poetsbedrijf en van [naam B.V.] te [vestigingsplaats], inhoudende - samengevat - dat appellant een aantal keren heeft meegelopen en meegekeken bij de werkzaamheden, maar geen inkomsten ontvangen heeft.

1.8. Bij besluit van 25 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 28 en 30 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 25 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.2. Gelet op de beëindiging van de bijstand per 19 december 2007 loopt de hier voor bijstandsverlening door de Raad te beoordelen periode vanaf 19 augustus 2005 tot die datum. Het besluit van 25 juni 2008 tot handhaving van de intrekking van bijstand met ingang van 19 augustus 2005 is een belastend besluit. Het is daarom aan het College om aannemelijk te maken dat appellant ten aanzien van die periode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3. Tussen partijen is niet meer in geschil dat appellant vóór december 2007 niets gemeld heeft aan het College omtrent zijn activiteiten bij het autobedrijf en het poetsbedrijf of in de vorm van in- en verkoop van auto’s. Evenmin is in geschil dat appellant aanwezig is geweest bij handelsactiviteiten van die bedrijven. In geschil is of appellant in het economisch verkeer relevante, en daardoor op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht, die hij daarom moest melden aan het College. Appellant bestrijdt de juistheid van de weergave van zijn verklaringen zoals onder 1.2 en 1.4 opgenomen. Met de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat de onder 1.3 genoemde, door appellant ondertekende verklaringen en de door hem overgelegde curricula vitae juist de kern van de rapportage van 14 december 2007 bevestigen, namelijk dat appellant daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten heeft verricht, zoals het ophalen en wegbrengen van auto’s, onderhandelen en handelen in auto’s, poetsen en meegaan naar het postkantoor. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt genomen dat appellant kan worden gehouden aan zijn eerder afgelegde en door hem ondertekende verklaringen, en dat aan een latere intrekking of nuancering daarvan in het algemeen geen waarde toekomt. Dat geldt op vergelijkbare manier voor de door appellant vervaardigde curricula vitae. Het betoog van appellant dat hij om een betere indruk te maken die curricula heeft overdreven en in de (sollicitatie-)gesprekken en op het intakeformulier te zeer op zijn ervaring heeft gepocht, kan niet overtuigend de stelling steunen dat hij in het geheel geen op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht, te minder in het licht van de door hem ondertekende verklaring dat hij die werkzaamheden met onmiddellijke ingang stopt. Verder wordt de kern van die rapportage ondersteund door geregistreerde pinbetalingen genoemd onder 1.3. Dat appellant ten minste achttien keer naar de autoveiling te [vestigingsplaats] is gegaan om slechts door toekijken te leren is niet geloofwaardig. Voorts is de Raad van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze activiteiten van belang waren voor zijn recht op bijstand.

4.4. Naar het oordeel van de Raad heeft het College hiermee aannemelijk gemaakt dat appellant zijn inlichtingenverplichting omtrent de werkzaamheden voor het poetsbedrijf en het autobedrijf en in de autohandel heeft geschonden. Bij die stand van zaken is niet meer van belang of appellant kan worden gehouden aan de verklaring van 17 december 2007, die overigens niet in een proces-verbaal is neergelegd en die niet door appellant is ondertekend. Het betoog van appellant onder verwijzing naar de gegrond verklaarde klacht dat die verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd, moet dan ook falen.

4.5. Appellant heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd omtrent de omvang van zijn werkzaamheden voor het autobedrijf en het poetsbedrijf. Aldus kan niet worden vastgesteld hoeveel appellant had kunnen verdienen met deze werkzaamheden. Bovendien heeft appellant ook gehandeld met auto’s. Appellant heeft geen boekhouding overgelegd van die activiteiten. De door appellant overgelegde verklaringen hebben daarop ook geen betrekking. Daardoor blijft onduidelijk of en hoeveel inkomsten appellant heeft gehad uit deze niet gemelde handelsactiviteiten. Een en ander leidt tot de conclusie dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6. Dit voert tot de conclusie dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant met ingang van 19 augustus 2005 in te trekken. Appellant heeft aangevoerd dat het College niet in redelijkheid de bijstand over de gehele periode volledig kan intrekken, omdat - al aangenomen dat appellant enige werkzaamheden zou hebben verricht - deze volledige intrekking niet in verhouding staat tot wat appellant met die werkzaamheden verdiend zou hebben. Dit betoog moet reeds falen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt, zoals wel op zijn weg lag, dat zijn inkomsten zo gering zijn geweest als hij stelt.

4.7. Hiermee is tevens gegeven dat het College bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de kosten van verleende bijstand over de periode in geding terug te vorderen. Tegen de uitoefening van die bevoegdheid heeft appellant geen andere dan de reeds genoemde en verworpen grond aangevoerd. Dit leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en H.D. Stout als leden in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

RB