Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1052

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
08-6907 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum bijstand. De Raad acht de omstandigheid dat het College op de hoogte was van de penibele financiële situatie van appellant onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen. De Raad overweegt hiertoe dat de Sociale Dienst appellant juist gelet op zijn financiële situatie heeft gewezen op de mogelijkheid om algemene bijstand aan te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6907 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 oktober 2008, 08/489 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Voor appellant is verschenen mr. Wudka. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft op 12 juni 2007 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in verband met verhuis- en inrichtingskosten. Vervolgens heeft appellant zich tot de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) gewend om algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen.

1.2. Bij besluit van 21 september 2007 is aan appellant algemene bijstand toegekend met ingang van 12 juli 2007. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het besluit van

22 februari 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover het de ingangsdatum van algemene bijstand betreft, het beroep tegen het besluit van 22 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft hoger beroep ingesteld, voor zover de aangevallen uitspraak betrekking heeft op de ingangsdatum van de bijstandsuitkering. Appellant heeft aangevoerd dat hij op 12 juni 2007 bijzondere bijstand heeft aangevraagd en dat hij toen gezien zijn penibele financiële situatie is verwezen naar de CWI voor een aanvraag om algemene bijstand. Volgens appellant heeft hij zich op 12 juni 2007 gewend tot de CWI, maar is hij in verband met de drukte op dat moment verwezen naar een afspraak een maand later. Voorts was zijn penibele financiële situatie bekend bij het College, zodat bovendien sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum dan 12 juli 2007 rechtvaardigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de WWB wordt de aanvraag ingediend bij de CWI. Artikel 41, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien het een aanvraag betreft van andere dan algemene bijstand, de aanvraag wordt ingediend bij het College.

4.2. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is geregeld dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van melding, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding bij de CWI of bij het college kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.

4.3. De Raad stelt vast dat appellant zich op 12 juni 2007 bij de Sociale Dienst van de gemeente Maastricht heeft gemeld voor een aanvraag om bijzondere bijstand. Bij die gelegenheid is hij geadviseerd om algemene bijstand aan te vragen ter aanvulling op zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken dat appellant zich reeds op 12 juni 2007 tot de CWI heeft gewend voor een aanvraag om algemene bijstand. De Raad overweegt hiertoe dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant zich eerst op 12 juli 2007 bij de CWI heeft gemeld. Appellant heeft erkend dat hij niet kan aantonen dat hij zich op een eerder moment bij de CWI heeft gemeld. Naar het oordeel van de Raad zijn voor de stelling van appellant dat hij door de CWI is verwezen voor een afspraak een maand later in de gedingstukken ook geen aanwijzingen te vinden. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de CWI appellant bij brief van 12 juli 2007 heeft uitgenodigd voor een uitkeringsintake op 17 juli 2007.

4.4. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij de CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.5. De Raad acht de omstandigheid dat het College op de hoogte was van de penibele financiële situatie van appellant onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen. De Raad overweegt hiertoe dat de Sociale Dienst appellant juist gelet op zijn financiële situatie heeft gewezen op de mogelijkheid om algemene bijstand aan te vragen. Louter de gestelde financiële omstandigheden zijn naar het oordeel van de Raad dan ook onvoldoende om een eerdere ingangdatum van de bijstand dan 12 juli 2007 te rechtvaardigen.

4.6. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) R.L. Venneman.

RB