Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP1041

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
10/1802 WAZ + 10/2016 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in voldoende mate heeft gemotiveerd dat de eerder aangenomen beperkingen van betrokkene met betrekking tot de rug- en de duurbelasting met ingang van 18 november 2008 zijn afgenomen. De Raad is van oordeel dat appellant de gezondheidstoestand van betrokkene en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen, zoals vastgelegd in de FML van 14 mei 2008, niet onjuist heeft ingeschat. De Raad kan zich vinden in de rapportage van de arbeidsdeskundige waarin op inzichtelijke wijze is uiteengezet dat de in de functies voorkomende belastingen de mogelijkheden van betrokkene niet overschrijden. In zijn rapportages van 23 februari 2009 en 22 juni 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de stellingen van betrokkene op adequate wijze weerlegd. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1802 + 10/2016 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant) en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 februari 2010, 09-1866 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

appellant.

Datum uitspraak: 14 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2010. Voor appellant is verschenen mr. C. Roele. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Stoppelenburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft de WAZ-uitkering van betrokkene, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, bij besluit van 17 september 2008 per 18 november 2008 ingetrokken, omdat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene is afgenomen tot minder dan 25%.

Bij besluit op bezwaar van 24 februari 2009 heeft appellant het besluit van 17 september 2008 gehandhaafd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het besluit van 24 februari 2009 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 februari 2009 vernietigd, het besluit van 17 september 2008 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Voorts zijn beslissingen gegeven over proceskosten en griffierecht.

2.2. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juli 2009, LJN BJ2140, overwogen dat het laten vervallen van de vanaf 1 maart 1996 in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen urenbeperking van 20 uur per week onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd in de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Voor het overige is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om aan te nemen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van betrokkene onjuist hebben vastgesteld.

3.1. Het hoger beroep van appellant richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat niet deugdelijk is onderbouwd dat er geen aanleiding (meer) is voor een urenbeperking. Voorts voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat WAZ-uitkering van betrokkene per 18 november 2008 ongewijzigd doorloopt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant stelt zich op het standpunt dat er na vernietiging van de beslissing op bezwaar van 24 februari 2009 verschillende nieuwe beslissingen op het bezwaar mogelijk zijn.

3.2. Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen die zijn aangenomen voldoende zijn. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat in onvoldoende mate rekening is gehouden met het totaalbeeld van zijn klachten, bestaande uit rugklachten, altijd pijnklachten en psychische klachten, welke klachten waarschijnlijk hebben geleid tot overmatig alcohol- en drugsgebruik. Hij is van mening dat hij volledig arbeidsongeschikt is.

4.1. Ten aanzien van het hoger beroep van appellant overweegt de Raad als volgt.

4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts A.M.M. Moons in zijn rapportage van 23 februari 2009, zoals nader toegelicht in zijn rapportage van 15 maart 2010 en in het ter zitting overgelegde rapport van

29 november 2010, in voldoende mate heeft gemotiveerd dat de eerder aangenomen beperkingen van betrokkene met betrekking tot de rug- en de duurbelasting met ingang van 18 november 2008 zijn afgenomen.

4.3. Gelet op de voorhanden medische gegevens is de Raad van oordeel dat appellant de gezondheidstoestand van betrokkene en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van zijn arbeidsvermogen, zoals vastgelegd in de FML van 14 mei 2008, niet onjuist heeft ingeschat. Voor het aannemen van verdergaande beperkingen bieden de voorhanden zijnde gegevens onvoldoende aanknopingspunten. De namens betrokkene overgelegde medische informatie leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

4.4. Het hoger beroep van appellant slaagt derhalve met betrekking tot de primair aangevoerde grond. Het subsidiair ingenomen standpunt behoeft geen bespreking meer.

5.1. Met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene overweegt de Raad als volgt.

5.2. Uitgaande van de juistheid van de FML, zoals aangegeven in 4.3, onderschrijft de Raad niet het standpunt van betrokkene dat hij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan vervullen in verband met zijn psychische en verslavingsklachten en de daarmee gepaard gaande vermoeidheidsklachten. De Raad kan zich vinden in de rapportage van de arbeidsdeskundige van 11 september 2008, waarin op inzichtelijke wijze is uiteengezet dat de in de functies voorkomende belastingen de mogelijkheden van betrokkene niet overschrijden. In zijn rapportages van 23 februari 2009 en 22 juni 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige de stellingen van betrokkene op adequate wijze weerlegd.

5.3. Het hoger beroep van betrokkene treft derhalve geen doel.

5.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het beroep van betrokkene tegen het besluit van 24 februari 2009 alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

IvR