Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
10-1395 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering uitkering op grond van de Wajong. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat juist de vele kortdurende dienstverbanden, alsmede het bijzonder onderwijs dat hij heeft gevolgd, erop wijzen dat hij niet in staat is geweest werkzaamheden naar behoren uit te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1395 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 februari 2010, 09/3985 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 14 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van den Buijs, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2010. Appellant was aanwezig, bijgestaan door

mr. Van den Buijs. Voor het Uwv was aanwezig M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellant, geboren [in] 1976, heeft op 22 december 2008 het Uwv verzocht om een uitkering op grond van de Wajong in verband met psychische klachten (ADHD). Daarbij heeft hij ook aangegeven dat hij een stollingsziekte heeft.

2.2. Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het Uwv geweigerd appellant de door hem gevraagde uitkering toe te kennen op de grond dat hij niet een heel jaar lang meer dan 25% arbeidsongeschikt was.

2.3. Aan dit besluit ligt onder meer ten grondslag een arbeidskundige rapportage van 9 februari 2009. In deze rapportage heeft een arbeidsdeskundige een overzicht gegeven van het arbeidsverleden van appellant vanaf het einde van zijn schoolperiode in 1996. Naast vele kortdurende dienstverbanden zijn er vier langere dienstverbanden bekend, variërend van 11 tot 18 maanden. Met drie werkgevers heeft de arbeidsdeskundige gesproken. Bij het bedrijf waar appellant van

26 juli 1999 tot 30 juni 2000 werkzaam is geweest kon men zich niet herinneren dat er problemen waren met betrekking tot het functioneren van appellant. Gemeld is dat appellant in ieder geval niet is weggegaan in verband met een conflict. Van

11 augustus 2003 tot 19 april 2005 is appellant werkzaam geweest als shovelmachinist, aanvankelijk via een uitzendbureau, per 11 augustus 2003 op basis van een dienstverband voor bepaalde tijd en met ingang van 1 februari 2004 op basis van een dienstverband voor onbepaalde tijd. Enige tijd nadat het dienstverband voor bepaalde tijd was omgezet in een dienstverband voor onbepaalde tijd ontstonden er problemen, hetgeen er uiteindelijk toe heeft geleid dat het dienstverband door de kantonrechter is ontbonden. Van 16 november 2007 tot 23 oktober 2008 had appellant een dienstverband met een uitzendbureau. Van de kant van dit bureau is gemeld dat het inzetten van appellant als machinist van grondverzetmachines problematisch is verlopen.

2.4. Bij besluit van 8 mei 2009 heeft het Uwv onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van

6 mei 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2009 ongegrond verklaard. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat bij appellant sprake is van een psychische stoornis die ook al op zijn 18e levensjaar aanwezig was, maar dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze stoornis duurzaam tot beperkingen en arbeidsparticipatieproblemen heeft geleid. De eerste aantoonbare periode van disfunctioneren van appellant is begonnen in 2004. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de stollingsziekte van appellant niet leidt tot arbeidsbeperkingen.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 8 mei 2009 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank samengevat overwogen dat het aan dit besluit ten grondslag liggende medische onderzoek niet onzorgvuldig is te achten. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Weliswaar heeft appellant veel korte dienstverbanden gehad, maar op grond van de twee hiervoor onder 2.3 genoemde dienstverbanden van 26 juli 1999 tot 30 juni 2000 en van 11 augustus 2003 tot 19 april 2005, met elkaar in samenhang bezien, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank terecht geoordeeld dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de Wajong.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. De Raad verstaat het standpunt van het Uwv aldus dat appellant in de periode dat hij behoorde tot de kring van verzekerden geen uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen had, althans geen arbeidsbeperkingen in een mate dat hij niet in staat was ten minste 75% van het voor hem geldende maatgevende inkomen, in zijn geval het minimuminkomen, te verdienen.

4.3. Hiervan uitgaande kent de Raad, gelijk de rechtbank in navolging van het Uwv heeft gedaan, doorslaggevende betekenis toe aan het arbeidsverleden van appellant, in het bijzonder aan de twee door de rechtbank genoemde, langere dienstverbanden. Het moet ervoor worden gehouden dat appellant eerst in 2004 in zijn werk problemen ondervond. Anders dan appellant heeft gesteld brengt het enkele feit dat bij hem de diagnose ADHD is gesteld, niet met zich dat hij al in 1996 arbeidsongeschikt was in de zin van de Wajong. De praktijk heeft anders uitgewezen. De Raad wijst hierbij ook op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 6 mei 2009.

4.4. In het hiervoor overwogene ligt besloten dat de Raad appellant niet volgt in zijn standpunt dat juist de vele kortdurende dienstverbanden, alsmede het bijzonder onderwijs dat hij heeft gevolgd, erop wijzen dat hij niet in staat is geweest werkzaamheden naar behoren uit te voeren.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2011.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) R.L. Venneman.

NK