Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
18-01-2011
Zaaknummer
10-2118 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exportverbod. Afwijzing verzoek tot behoud Wajong-uitkering bij verhuizing naar Duitsland. Het Uwv heeft terecht geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 2 van het Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland. Uitzonderlijke situatie. Voldoende gemotiveerd dat de door betrokkene genoemde omstandigheden niet als ‘zwaarwegende redenen’ om met behoud van een Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen, kunnen worden aangemerkt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2118 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 3 maart 2010, 09/1787 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

Uwv

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).

Datum uitspraak: 6 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. S. Jacobs, advocaat te Nijmegen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2010. Betrokkene is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Aan betrokkene is een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toegekend.

1.3. Op 8 januari 2009 is namens betrokkene aan het Uwv verzocht vast te stellen dat hij, in het geval hij met zijn ouders naar Duitsland verhuist, zijn Wajong-uitkering kan behouden. Daarbij is aangegeven dat zijn vader en de echtgenote van zijn vader hem verzorgen en dat zij zullen verhuizen naar Duitsland. Bij besluit van 27 februari 2009 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen.

1.4. Bij besluit van 22 juni 2009 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 27 februari 2009 ongegrond verklaard met als motivering dat er geen noodzaak was om naar Duitsland te verhuizen en dat het klantcontactcentrum geen toezeggingen heeft gedaan inhoudende dat de uitkering bij verhuizing behouden kon worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 22 juni 2009 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat verzekeringsarts C.P. van Deventer in de rapportage van

24 februari 2009 heeft geschreven dat:

“Belanghebbende voldoet aan de derde grond van de hardheidsclausule: Hij is grotendeels verzorgingsafhankelijk en de verzorging wordt door zijn ouders gedaan. De noodzaak van de verhuizing is gericht op het vergroten van het welzijn van belanghebbende. Door een eventueel wegvallen van de Wajong-uitkering zou hij groot nadeel ervaren, omdat geen rechten meer bestaan om langer deel te nemen aan de dagbehandeling.”.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank strikt genomen niet voldaan aan de derde in het beleid expliciet genoemde zwaarwegende reden om buiten Nederland te gaan wonen doch de verzekeringsarts is blijkbaar van mening dat betrokkene wel in zijn algemeenheid voldoet aan de voorwaarden. Verweerder had, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet zonder nader onderzoek de opvatting van de verzekeringsarts mogen passeren. Voor het geval een nader onderzoek naar de redenen van de verhuizing de conclusie van de verzekeringarts zou ontkrachten acht de rechtbank nog van belang dat de voorlichting van het Uwv tijdens de telefoongesprekken niet volledig is geweest. In de gesprekken met functionarissen van het Uwv is onvermeld gebleven dat het criterium dat de verhuizing noodzakelijk moet zijn, betrekking heeft op de verzorgers, aldus de rechtbank.

3.1. Het Uwv heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat betrokkene niet voldoet aan de eisen gesteld in Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland en dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Daarbij is aangegeven dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen omdat in de eerste plaats de uitlatingen van de verzekeringsarts niet gedragsbepalend zijn geweest – op dat moment stond de verhuizing al vast – en in de tweede plaats de telefonische uitlatingen die voordien zijn gedaan geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging aan betrokkene bevatten.

3.2. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de derde grond van de hardheidsclausule en dat het Uwv in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en of de weigering van het Uwv om toepassing te geven aan de in artikel 17, zevende lid, van de Wajong opgenomen hardheidsclausule in rechte stand kan houden.

4.3. In artikel 17, eerste lid, sub c, van de Wajong is bepaald dat het recht op uitkering krachtens die wet eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen. Het Uwv kan dit zogenoemde exportverbod van een Wajong-uitkering op grond van het zevende lid van dit artikel buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.4. Het Uwv heeft in zijn Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland van 29 april 2003 (Stcrt. 84,

p. 17, hierna: Besluit) aangegeven op welke wijze door hem uitvoering zal worden gegeven aan deze hardheidsclausule. In artikel 2 van dit Besluit is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden op grond van artikel 2 van het Besluit in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

4.5. In de toelichting op dit Besluit is ten aanzien van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder c, aangegeven dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en niet in overwegende mate gebaseerd kunnen zijn op een eigen keuze. In de toelichting bij het Besluit is voorts aangegeven dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast. Ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties kan er grond zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering een aanmerkelijk nadeel betekent.

4.6. De Raad is met het Uwv en de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het noodzakelijk was, in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit, dat verzorgers van betrokkene naar Duitsland verhuisden. De vader van betrokkene heeft dienaangaande gesteld dat betrokkene al tien jaar een klein kamertje heeft. Het is voor de vader financieel niet haalbaar in Nederland een ander huis te kopen. In Duitsland zijn de huizen betaalbaarder. In het nieuwe huis in Duitsland kan betrokkene een zitslaapkamer krijgen. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende komen vast te staan dat de enige mogelijkheid om een grotere kamer voor betrokkene te realiseren het kopen van een huis buiten Nederland, in dit geval in Duitsland, was. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat door betrokkene voldoende aannemelijk is gemaakt dat de noodzaak om te verhuizen naar Duitsland objectief en dwingend van aard was.

4.7. Met betrekking tot de vraag of er zwaarwegende redenen zijn om buiten Nederland te gaan wonen, anders dan de genoemde onder sub a, b en c van artikel 2 van het Besluit, overweegt de Raad als volgt. De Raad is van oordeel dat het Uwv thans voldoende heeft gemotiveerd dat de door betrokkene genoemde omstandigheden niet als ‘zwaarwegende redenen’ om met behoud van een Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen, kunnen worden aangemerkt. Daarbij acht de Raad van belang dat blijkens de wetsgeschiedenis het exportverbod van de Wajong-uitkeringen het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door het Uwv enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarden dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 7 februari 2008 (LJN BC5205). Het Uwv heeft aangegeven dat de noodzaak van een grotere kamer voor betrokkene niet verder is onderzocht omdat het standpunt van betrokkene was dat men om financiële redenen Nederland wilde verlaten. Dan is sprake van een keuze en niet van redenen die objectief en dwingend zijn en kan reeds om die reden de hardheidsclausule niet worden toegepast. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat een grotere kamer mogelijk van belang is voor het welzijn van betrokkene maar dat geen sprake was van een medische noodzaak om betrokkene een grotere kamer te bieden. Dat de verzekeringsarts het welzijn aan de medische noodzaak koppelt is niet juist. De Raad wil niet afdoen aan het belang van betrokkene bij voldoende leefruimte thuis, nu hij niet in staat is zelfstandig te wonen, doch is met het Uwv van oordeel dat ook de behoefte aan een grotere kamer in dit geval niet kan leiden tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 2 van het Besluit.

4.8. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan hier niet aan afdoen. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan alleen slagen als door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze vereisten wordt in dit geval niet voldaan. Een medewerker van een klantcontactcentrum kan niet worden aangemerkt als een tot beslissen bevoegd orgaan. Voorts blijkt uit het verslag van het gesprek weliswaar dat de criteria van artikel 2 van het Besluit vereenvoudigd zijn weergegeven doch er blijkt niet dat een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat de Wajong-uitkering van betrokkene bij verhuizing naar Duitsland verstrekt zou blijven worden.

4.9. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het besluit van 22 juni 2009 onvoldoende is gemotiveerd. Daaruit vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De Raad is, zoals gezegd, van oordeel dat die motivering thans afdoende is. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen met uitzondering van de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voorts zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 juni 2009 in stand blijven.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de opdracht aan het Uwv een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 juni 2009 in stand blijven.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK