Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
17-01-2011
Zaaknummer
10-3754 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Verwijtbaar werkloos. Het bewijs van diefstal is geleverd. Het onderzoek van het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. Aan de werkloosheid ligt een dringende reden in de zin van art. 7:678 BW ten grondslag. Geen aanleiding voor conclusie dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3754 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 juni 2010, 09/7180 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2011.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Voor appellant is mr. De Boorder verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 6 mei 2008 voor -uiteindelijk- de periode van één jaar in dienst getreden van [naam werkgever] (hierna: werkgever) als beveiligingsmedewerker. In die hoedanigheid is hij te werk gesteld bij [naam opdrachtgever] te [plaatsnaam] (hierna: opdrachtgever). In verband met vermoedens van diefstal heeft de opdrachtgever twee verborgen camera’s in het bedrijf opgehangen. De werkgever heeft appellant op daarmee op 17 april 2009 gemaakte opnames herkend als degene die geld ontvreemdde uit een waardekistje dat in een kastje achter de receptie stond. Nadat de werkgever appellant op

21 april 2009 had geschorst, heeft de werkgever appellant op 23 april 2009 op staande voet ontslagen. In een brief van dezelfde datum stelt de werkgever:

“De gebleken diefstal op 17 april 2009 bij onze opdrachtgever (…) welke onomstotelijk middels camerabeelden en getuigenverslagen is vastgelegd, rechtvaardigt ons inziens dit ontslag op staande voet.

U heeft het vertrouwen van zowel onze opdrachtgever als uw werkgever diep beschaamd. Wij zien dan ook geen enkele reden het dienstverband met u voort te zetten.”.

1.2. Appellant heeft een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 29 juli 2009 heeft het Uwv die uitkering geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 september 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant op staande voet is ontslagen in verband met een door hem gepleegde diefstal op 17 april 2009 die op camerabeelden is vastgelegd. Van de diefstal is aangifte gedaan, het proces-verbaal daarvan dateert van 17 april 2009. Voorts heeft de werkgever tegenover het Uwv verklaard dat appellant in verband met diefstal is ontslagen. Appellant heeft volgens het Uwv weliswaar verklaard dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan de diefstal, maar hij heeft geen afdoende verklaring voor de gang van zaken.

2. Appellant heeft op 6 oktober 2009 de werkgever gedagvaard en -kort gezegd- salarisbetaling gevorderd en gevraagd om een verklaring voor recht dat het gegeven ontslag op staande voet nietig is. Bij vonnis van 23 februari 2010 heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. De kantonrechter oordeelde dat op grond van foto’s van de camerabeelden bewezen was dat appellant geld had gestolen van een klant van de werkgever waar appellant werkzaam was als beveiligingsmedewerker, hetgeen een dringende reden voor ontslag oplevert. Appellant heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank stelde vast dat appellant, ondanks daartoe strekkende verzoeken, tot op de dag van het bestreden besluit het Uwv niet in het bezit heeft gesteld van documentatie waaruit bleek dat hij beroep had aangetekend tegen het ontslag op staande voet. Mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, achtte de rechtbank het acceptabel dat het Uwv geen nader onderzoek had verricht naar de aantijgingen jegens appellant. Voorts was de rechtbank van oordeel dat het minder relevant was dat niet is komen vast te staan hoeveel geld is weggenomen. Gezien de functie van appellant rechtvaardigde het wederrechtelijk wegnemen van praktisch ieder geldbedrag een ontslag op staande voet.

4.1. In hoger beroep heeft appellant onder meer gesteld dat hij niet over de stukken beschikte waarover de rechtbank oordeelde dat hij deze niet had ingediend. Appellant stelt dat hij wel direct tegen zijn ontslag heeft geprotesteerd. Appellant benadrukt dat hij enige tijd heeft gewacht met het procederen tegen zijn werkgever omdat hij wilde weten wat hij precies moest weerspreken. Volgens appellant heeft het Uwv een zelfstandige onderzoeksplicht die de verwijtbaarheid van het ontslag betreft, nu het contract bijna was afgelopen. Appellant betwist tenslotte dat hij heeft gestolen. Ter zitting heeft appellant gesteld dat de bewijzen daarvoor ontbreken en dat uit de foto’s van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden, dat bewijs niet kan worden afgeleid.

4.2. Op verzoek van de Raad heeft appellant op 15 september 2010 een aantal stukken ingebracht die betrekking hadden op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter van 23 februari 2010. Uit die stukken is gebleken dat appellant en zijn werkgever op 7 september 2010 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten waarbij het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter wordt ingetrokken. Tevens is bij die overeenkomst de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 23 april 2009.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1. Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.

5.1.2. Ingevolge artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt.

5.1.3 Op grond van artikel 7:678, tweede lid, aanhef en onder d, van het BW zullen dringende redenen onder andere aanwezig geacht kunnen worden wanneer de werknemer zich schuldig maakt aan diefstal.

5.2. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant zich op 17 april 2009 schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken wordt voor de uitleg van artikel 7:678 van het BW de jurisprudentie van de Hoge Raad gevolgd. Dit brengt mee dat waar het Uwv stelt dat appellant diefstal heeft gepleegd, op het Uwv de last van het bewijs van diefstal rust.

5.3.1. Bij de opdrachtgever was sprake van meldingen van diefstal uit een waardekistje uit een kastje achter de receptie. In verband daarmee zijn door een onderzoeksbureau twee heimelijke camera’s geplaatst. Een van die camera’s was van boven gericht op de receptiebalie. Op 20 april 2009 werd gemeld dat geld uit het waardekistje ontbrak. Naar aanleiding van gemaakte opnames is door het onderzoeksbureau op 21 april 2009 gerapporteerd. In die rapportage wordt beschreven dat bij het terugkijken van opgeslagen beelden kon worden vastgesteld dat een man, werkzaam als beveiliger voor [naam werkgever], het geld uit het kistje heeft weggenomen op 17 april 2009, omstreeks 20.00 uur. De rapporteurs stelden vast dat de man op de beelden dezelfde man was die op 20 april 2009 om ongeveer 17.00 uur achter de balie werkzaam was. Desgevraagd door de rapporteurs gaf hij aan appellant te zijn. Appellant is vervolgens geconfronteerd met de beelden, maar heeft niets wensen te verklaren. Volgens de rapportage tonen de beelden een zeer weloverwogen handeling waarbij gebruik is gemaakt van een medische handschoen om het plaatsen van vingerafdrukken te voorkomen.

5.3.2. Op 21 april 2009 heeft een directielid van de opdrachtgever bij de Politie Haaglanden aangifte gedaan. In deze aangifte is het volgende opgenomen:

“Op de beelden zagen wij dat de beveiligingsbeambte van de firma [naam werkgever] het kistje uit het kastje haalde. Wij zagen vervolgens dat de beveiligingsbeambte het kistje opende en papieren geld uit het (onleesbaar) haalde. Wij zagen dat hij het geld naast zich neer legde, het kistje sloot en terugplaatste (onleesbaar) en vervolgens zagen wij dat hij het geld oppakte en het geld in zijn linker broekzak stopte. Vervolgens zagen wij dat de beveiligingsbeamte wegliep.”.

In de aangifte is verder opgenomen dat de opdrachtgever die beambte herkende als appellant.

5.3.3. Op de foto’s die onderdeel uitmaken van het dossier van de Raad is te zien dat een lade is uitgetrokken, dat een man een handschoen aantrekt, op de lade een kistje plaatst, dat naast het geopende kistje een bakje is geplaatst en dat de man met zijn gehandschoende hand in dat kistje zit.

5.3.4. Bij brief van 20 mei 2009 heeft appellant de werkgever te kennen gegeven niet akkoord te gaan met het ontslag. Hij ontkent in die brief met klem dat sprake is van diefstal, maar geeft in die brief vervolgens geen verklaring voor zijn gedrag op de beelden. Bij brief van 27 mei 2009 heeft appellant herhaald dat er geen sprake is van diefstal, zonder een verdere verklaring voor zijn handelingen op de beelden.

5.3.5. Bij brief van 4 augustus 2009 heeft appellant zich wederom tot de werkgever gewend en ten stelligste ontkend dat hij geld heeft gestolen. Tevens wordt de werkgever uitgenodigd bewijs van de diefstal te verstrekken.

5.3.6. Appellant heeft eerst op 6 oktober 2009, derhalve na het bestreden besluit, zijn werkgever gedagvaard en onder meer gevorderd het loon te betalen. In die dagvaarding is wederom slechts sprake van een enkele ontkenning van de diefstal. Tevens valt uit de dagvaarding af te leiden dat appellant geen kennis zou hebben van de beelden van

20 april 2009.

5.3.7. Bij conclusie van repliek van 25 november 2009, derhalve meer dan een half jaar na het voorval, heeft appellant een toelichting op zijn gedrag op 17 april 2009 gegeven. Volgens appellant zag hij dat de grote kluis niet goed was gesloten omdat de kleine kluis scheef stond. Hij zou de handschoen hebben aangetrokken omdat hij roet aan zijn handen had vanwege een reparatie aan zijn auto die middag. Het kleine kluisje zou hij hebben geopend om er de gratis koffiemunten van het bedrijf uit te halen.

5.4. Met hetgeen onder 5.3.1, 5.3.2 en 5.3.3 is vastgesteld, in onderlinge samenhang bezien, is het bewijs van de diefstal geleverd. Er is geen reden om te twijfelen aan het feit dat geld is verdwenen, ondanks het feit dat uit de stukken niet blijkt om welk bedrag het daarbij gaat. De bevindingen en de waarnemingen in de rapportage van het onderzoeksbureau zijn consistent en worden grotendeels ondersteund door de foto’s van de camerabeelden. Daarbij komt dat appellant aanvankelijk de diefstal heeft ontkend maar daarbij geen verklaring voor zijn handelingen met het geldkistje heeft gegeven. De bij conclusie van repliek gegeven verklaring is ongeloofwaardig. Immers, waarom hij koffiemunten, die volgens appellant overal in het bedrijf gratis verkrijgbaar waren, uit een afgesloten kluisje zou moeten halen, wordt niet duidelijk, net zoals niet duidelijk is, waarom hij, als hij vuile handen had, slechts bij het openen van het kluisje één handschoen aandeed, en niet overigens maatregelen had genomen om te voorkomen dat de werkplek zou worden vervuild, dan wel waarom hij niet zijn handen heeft kunnen reinigen. Als het kleine geldkistje appellant verhinderde om de grote kluis te sluiten, had hij er mee kunnen volstaan het kleine kistje te verplaatsen. Onjuist is verder de stelling van appellant dat hij de camerabeelden niet kende, nu hij blijkens de rapportage van het onderzoeksbureau reeds op 20 april 2009 met die beelden is geconfronteerd. Dat appellant zijn ontslag eerst kon aanvechten nadat hij kennis had genomen van het standpunt van de werkgever, is eveneens onjuist, nu hij immers door de brief van 23 april 2009 op de hoogte was van de redenen van de werkgever om hem op staande voet te ontslaan. Uit de brief van van 20 mei 2009 waarin appellant het ontslag aanvecht blijkt ook dat hij van de redenen van het ontslag op de hoogte was.

5.5. Het onderzoek van het Uwv heeft bestaan uit kennisneming van de brieven van de werkgever tot schorsing en ontslag op staande voet, van het proces-verbaal van aangifte van diefstal, van een brief van de opdrachtgever van 24 april 2008 aan de werkgever en uit het telefonisch inwinnen van informatie bij de werkgever. Appellant heeft zich in bezwaar beperkt tot de enkele ontkenning dat sprake was van diefstal en heeft eerst na het bestreden besluit zijn werkgever gedagvaard en zich daarbij op het standpunt gesteld dat het gegeven ontslag op staande voet nietig is. Onder die omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding om te concluderen dat het onderzoek door het Uwv onvoldoende zorgvuldig is geweest.

5.6. Appellant heeft anders dan zijn ongeloofwaardige ontkenning dat sprake is van diefstal, overigens niets aangevoerd tegen het aannemen van een dringende reden. De Raad komt dan ook tot het oordeel dat aan de werkloosheid een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt.

5.7. Aangezien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, is voor de beoordeling van de verwijtbaarheid daarvan de vraag of het dienstverband kon worden verlengd -waarbij appellant kennelijk doelt op de uitleg van de benadelingshandeling in de zin van artikel 24, vijfde lid, van de WW- niet relevant. Er is ten slotte geen aanleiding om te concluderen dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.8. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR