Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
10-2742 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Appellant is verwijtbaar werkloos geworden.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2742 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [plaatsnaam] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 april 2010, 09/4415 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H. van den Sigtenhorst, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van den Sigtenhorst. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen mr. P.J. Reith.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant is op 1 mei 1992 in dienst getreden als technisch medewerker bij [naam werkgever] (hierna: werkgever). Nadat de werkgever op basis van camerabeelden had geconstateerd dat appellant in een tijdsbestek van drie tot vier weken ten minste driemaal een kluis in het bedrijfspand had geopend, is appellant op 13 mei 2008 op staande voet ontslagen wegens diefstal, althans het zonder toestemming van de werkgever openen van de kluis teneinde geld of goederen te ontvreemden.

1.3. Bij beschikking van 28 juli 2008 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met ingang van die datum voorwaardelijk ontbonden. De kantonrechter heeft overwogen dat het tot driemaal toe openen van een kluis zonder toestemming van de werkgever (en het voorafgaand daaraan in de administratie van de werkgever zoeken) om iets weg te nemen, een dringende reden is in de zin van artikel 7:685 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1.4. Bij besluit van 27 mei 2008 heeft het Uwv de door appellant aangevraagde uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 13 mei 2008 blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag vormt, hetgeen betekent dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Bij besluit van

17 oktober 2008 heeft het Uwv het tegen het besluit van 27 mei 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld.

2.1. Bij uitspraak van 28 mei 2009 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard. Uit het besluit van 17 oktober 2008 blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk of het Uwv de individuele omstandigheden van appellant, zoals leeftijd en arbeidsverleden, bij de beoordeling of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt, heeft meegewogen. Ten overvloede heeft de rechtbank opgemerkt dat het Uwv bij de beoordeling van de ernst van de gedraging dient te betrekken dat uit de camerabeelden kennelijk blijkt dat appellant enkel de kluisdeur open heeft gemaakt en hij niet daadwerkelijk in de kluis heeft gezocht naar de arbeidsovereenkomst, alsmede het feit dat appellant weliswaar geen toestemming had om in de kluis van zijn werkgever te komen, maar dat hij wel een dusdanige relatie had met zijn werkgever dat hij regelmatig in de privé-vertrekken van zijn werkgever kwam.

2.2. Bij besluit van 21 oktober 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Het Uwv heeft erop gewezen dat het tot driemaal toe openen van de kluis zonder toestemming van de werkgever (en het voorafgaand daaraan in de administratie van de werkgever zoeken) om iets weg te nemen naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst oplevert. Het Uwv erkent dat duidelijk is dat gelet op de leeftijd van appellant het ontslag ingrijpende gevolgen kan hebben. Gezien de ernst van de gedraging is, ook als die gevolgen ingrijpend zijn, er volgens het Uwv toch sprake van een dringende reden. Appellant heeft het vertrouwen van zijn werkgever op een dusdanige wijze beschaamd dat deze op goede gronden heeft besloten hem op staande voet te ontslaan. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

2.3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv in het thans bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden.

3.1. In hoger beroep heeft appellant uitdrukkelijk de stelling betwist dat hij niet bevoegd was om in de privé-vertrekken van zijn werkgever te vertoeven. Appellant heeft erkend de kluis te hebben geopend om deze te doorzoeken en dat hij daarvoor geen toestemming van zijn werkgever had. Hij stelt echter dat dit moet worden gezien tegen de achtergrond dat hij op zoek was naar zijn arbeidsovereenkomst.

3.2. In verweerschrift heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat aan het ontslag een dringende reden ten grondslag ligt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het BW en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Als de werknemer de verplichting om werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

4.2. Uit de ter zitting getoonde opnamen van de bewakingscamera is gebleken dat appellant in de periode van 17 april 2008 tot en met 6 mei 2008 tot driemaal toe de kluis van zijn werkgever heeft geopend. Appellant had hiervoor geen toestemming van zijn werkgever. In de periode waarin appellant deze handelingen pleegde was het binnen de organisatie van de werkgever bekend dat er kasverschillen waren van ongeveer € 400.000,-. Juist onder die omstandigheden werd het vertrouwen dat de werkgever in appellant stelde zwaar beschaamd. Dat appellant naar zijn zeggen slechts zocht naar zijn arbeidsovereenkomst en dat niet is gebleken dat appellant iets uit de kluis heeft meegenomen, doet daar niet aan af. Appellant was op het moment van het plegen van deze handelingen 60 jaar oud en had 16 jaar naar tevredenheid bij de werkgever gewerkt. Het zou voor hem niet eenvoudig zijn om een andere werkkring te vinden, maar gelet op de ernst van de gedragingen en het daarmee onherstelbaar beschadigen van het vertrouwen dat de werkgever in hem mocht stellen, kon in redelijkheid van de werkgever niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De werkgever heeft vervolgens ook dienovereenkomstig gehandeld en heeft direct gestreefd naar een onverwijlde en onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Nadat hij op de hoogte was geraakt van beelden van de bewakingscamera heeft de werkgever appellant op staande voet ontslagen. Er was dan ook sprake van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 van het BW. Niet is gebleken dat appellant van zijn gedragingen geen verwijt kan worden gemaakt.

4.3. Appellant is dan ook verwijtbaar werkloos geworden. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het niet nakomen van de verplichting om te voorkomen verwijtbaar werkloos te worden appellant niet in overwegende mate kan worden verweten, zodat het Uwv de WW-uitkering terecht op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW blijvend geheel heeft geweigerd.

5. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM