Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0862

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
09-6004 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning WAZ-uitkering. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze uiteengezet waarom de beroepsgronden niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen die daartoe hebben geleid. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn voor appellant in medisch opzicht geschikt te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6004 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 september 2009, 08/1022 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij brief van 6 december 2006 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van de besluiten van 26 mei 2005,

19 augustus 2005 en 10 januari 2006, in die zin dat aan hem alsnog een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) wordt toegekend met ingang van 20 december 2003. Daarbij is een brief van 15 maart 2006 van neuroloog dr. J.P. ter Bruggen gevoegd, waaruit blijkt dat bij appellant de diagnose grafospasme is gesteld. Dit is naar de mening van appellant een nieuw gebleken feit. Daarnaast heeft appellant verzocht om toekenning van een WAZ-uitkering in verband met toegenomen klachten vanaf januari 2004.

1.3. Naar aanleiding van de in overweging 1.2 vermelde brief van appellant heeft verzekeringsarts J. Schipper appellant onderzocht tijdens een spreekuur. Tevens heeft deze verzekeringsarts dossierstudie verricht, waarbij hij kennis heeft genomen van voormelde brief van 15 maart 2006 van neuroloog Ter Bruggen. In zijn rapport van 29 mei 2007 heeft Schipper geconcludeerd dat appellant al jarenlang in dezelfde zin klachten en beperkingen van zijn rechter hand ervaart. Het feit dat nu een diagnose is gesteld, betekent niet dat er geen rekening is gehouden met de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen. Naar het oordeel van de verzekeringsarts is er dan ook geen sprake van nieuwe medische feiten. Wel heeft de verzekeringsarts zorgvuldigheidshalve in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen en dynamische handelingen alsnog beperkingen aangenomen ten aanzien van de hand- en vingervaardigheid. De door appellant geclaimde toegenomen beperkingen vanaf januari 2004 zijn niet geobjectiveerd. De belastbaarheid van appellant is weergegeven in de FML van 13 juni 2007. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige

J. Schripsema in zijn rapport van 15 augustus 2007 geconcludeerd dat de functies die zijn geduid in het kader van de schatting per 20 december 2003 ook met inachtneming van de FML van 13 juni 2007 passend zijn.

1.4. Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van de besluiten van 26 mei 2005,

19 augustus 2005 en 10 januari 2006. Er is geen sprake van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden die ertoe leiden dat deze besluiten onjuist zouden zijn. Tevens heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een WAZ-uitkering wegens de door hem geclaimde toegenomen beperkingen vanaf januari 2004. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

2.1. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts J.P.M. Joosten. Deze arts is bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft de op zijn verzoek om inlichtingen ontvangen brief van 1 februari 2008 van neuroloog

dr. R.A.J.A.M. Bernsen bij zijn beoordeling betrokken. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft Joosten in zijn rapport van 4 december 2007, aangevuld op 13 februari 2008, geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de FML van 13 juni 2007. Deze FML is naar het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts geldig met ingang van 1 januari 2004.

2.2. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige C.H.J. de Vries-van Hulten de geduide functies opnieuw beoordeeld en in haar rapport van 5 maart 2008 geconcludeerd dat een aantal functies komt te vervallen. Er blijven echter voldoende functies over om de schatting op te baseren, waarbij het verlies aan verdiencapaciteit wordt vastgesteld op nihil. Bij besluit van

11 maart 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 16 augustus 2007 gehandhaafd, met de gewijzigde motivering dat er medisch gezien wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De wijziging van de FML geeft echter geen aanleiding om terug te komen van het besluit van 16 augustus 2007.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van de weigering van het Uwv om terug te komen van zijn eerdere besluiten betreffende de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per

20 december 2003, heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv als uitgangspunt heeft genomen dat appellant rechtens relevante nova heeft aangevoerd. In verband hiermee heeft het Uwv niet volstaan met een verwijzing naar de oorspronkelijke besluiten, maar heeft een inhoudelijke heroverweging plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om de door het Uwv verrichte herbeoordeling voor onjuist te houden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsartsen bij hun beoordeling alle beschikbare medische informatie in onderling verband hebben bezien en de nieuwe medische gegevens volledig in hun beoordeling hebben betrokken.

3.2. Ten aanzien van de weigering van het Uwv om appellant met ingang van januari 2004 wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid in aanmerking te brengen voor een WAZ-uitkering, heeft de rechtbank overwogen dat met de door appellant geclaimde toegenomen beperkingen voldoende rekening is gehouden in de FML van 13 juni 2007. Uitgaande van deze FML is de rechtbank van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van beheerder leefomgeving, conciërge, huismeester (sbc-code 261010), inpakker koekjes, inpakker (sbc-code 111190) en montage medewerker, bestucker (sbc-code 111180) in medisch opzicht voor appellant geschikt te achten zijn. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 5 maart 2008 de signaleringen bij de geduide functies voldoende inzichtelijk toegelicht.

4. In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het Uwv zijn belastbaarheid wat betreft hand- en vingergebruik heeft overschat. Appellant acht zich niet in staat tot het vervullen van de geduide functies.

5.1. Wat betreft het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor zover dat ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 20 december 2003, overweegt de Raad als volgt.

5.2. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank, in navolging van het Uwv, van oordeel is dat appellant bij zijn herhaalde aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld.

5.3.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

5.3.2. Niettemin is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.4. De Raad is, anders dan het Uwv en de rechtbank, van oordeel dat appellant aan zijn herhaalde aanvraag van

6 december 2006 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. In de brief van

15 maart 2006 van neuroloog Ter Bruggen is weliswaar een niet eerder gestelde diagnose vermeld, maar de onderliggende klachten van appellant waren bij het Uwv voorafgaand aan het besluit van 10 januari 2006 al bekend. Dat het Uwv in de FML van 13 juni 2007 beperkingen heeft aangenomen wat betreft het hand- en vingergebruik, berust enkel op een andere waardering van reeds bekende gegevens en vormt geen novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

De eerst in beroep overgelegde brief van 3 maart 2008 van neuroloog dr. J.H.T.M. Koelman heeft het Uwv niet bij de heroverweging kunnen betrekken nu die brief is opgesteld na het bestreden besluit.

5.5. Nu appellant aan zijn onderhavige herhaalde aanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, was het Uwv bevoegd het verzoek van appellant op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen. Het Uwv heeft desondanks de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid. In deze situatie is het in overweging 5.3.2 weergegeven door de bestuursrechter te hanteren terughoudende toetsingskader (onverminderd) van toepassing. Door te overwegen als in overweging 3.1 samengevat is weergegeven heeft de rechtbank het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per

20 december 2003, ten onrechte niet met de vereiste terughoudendheid getoetst.

5.6. Gelet op hetgeen door appellant is aangevoerd, kan naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat het Uwv niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om niet terug te komen van de besluiten van 26 mei 2005, 19 augustus 2005 en 10 januari 2006.

6.1. Wat betreft het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor zover dat ziet op de weigering van het Uwv om appellant met ingang van januari 2004 wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid in aanmerking te brengen voor een WAZ-uitkering, overweegt de Raad als volgt.

6.2. Appellant heeft in hoger beroep alleen gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Uit hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, blijkt niet waarom het oordeel van de rechtbank volgens hem onjuist zou zijn. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank op juiste wijze uiteengezet waarom de beroepsgronden niet slagen. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen die daartoe hebben geleid.

6.3. De Raad onderschrijft tevens het oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant in medisch opzicht geschikt te achten zijn.

6.4. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant met ingang van 29 januari 2004 in aanmerking te brengen voor een WAZ-uitkering.

7. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, zij het, gelet op de overwegingen 5.2 tot en met 5.5, met verbetering van gronden.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Voor inwilliging van het door appellant gedane verzoek om veroordeling tot schadevergoeding bestaat geen ruimte.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) T.J. van der Torn.

IvR