Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0817

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
08/5774 WWB + 08/5792 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering (bijzondere) bijstand. Vermogen. Bezit onroerend goed in buitenland. Schending inlichtingenverplichting. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat één-vijfde van het resterende deel van het stuk grond in weerwil van de inschrijvingen en transacties, niet tot het vermogen van appellant behoorde. De leningen zijn aangegaan na de intrekking van de bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5774 WWB

08/5792 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2008, 07/3841 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A.C.M. Roestenberg, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Roestenberg; appellante is niet verschenen. Het College heeft zich - zoals vooraf bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 3 september 1990 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een signaal, onder meer inhoudende dat appellant bezig is in zijn geboortedorp [naam dorp] in Marokko een appartement te bouwen, heeft het College het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het IBF) op 26 juli 2006 gevraagd een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellant in de vorm van onroerend goed in het buitenland. Het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat heeft dit onderzoek voor het IBF uitgevoerd. Een medewerker van de ambassade heeft ter plaatse een onderzoek ingesteld en het zogenoemde Ad-hoc Comité heeft een bezoek gebracht aan het kadaster en het met een hypotheekkantoor te vergelijken Conservation Foncière te [naam dorp]. Vervolgens heeft de ambassade een beëdigd taxateur opdracht gegeven het betreffende onroerend goed te taxeren. De ambassade heeft hierover gerapporteerd aan het IBF en de relevante stukken meegezonden. Bij brief van 22 februari 2007 heeft het IBF aan het College gerapporteerd dat van appellant vermogen is getraceerd tot een waarde van € 12.500,-- in de vorm van onroerend goed. Het IBF heeft daarbij de onderliggende stukken aan het College verzonden.

1.3. Op 7 mei 2007 heeft een controleur van de afdeling bijzondere onderzoeken van de gemeente Rotterdam appellanten gehoord over hun vermogen in het buitenland. Appellanten hebben hun op schrift gestelde verklaring ondertekend. Appellant heeft volgens deze verklaring onder meer meegedeeld dat hij sinds 6 à 7 jaar een flat van vier verdiepingen heeft in [naam dorp] op zijn naam, dat hij niet de eigenaar is van de grond, dat hij dit huis heeft kunnen bouwen met eigen spaargeld en geld van zijn ouders, dat het in totaal € 35.000,-- heeft gekost en dat zijn aandeel € 12.500,-- is, dat het 90 m² groot is en niet verhuurd wordt. Verder heeft appellant verklaard dat zijn vader bijna 20 jaar geleden een stuk grond op zijn eigen naam en op de namen van vier van zijn zoons heeft gezet, dat van dat stuk inmiddels twee delen zijn verkocht en dat zijn vader woont in de woning die op het overblijvende gedeelte is gebouwd. Dat behoort volgens appellant in verband met hun tradities niet tot zijn vermogen.

1.4. Bij vier afzonderlijke besluiten van 26 juni 2007 heeft het College de bijstand van appellanten met ingang van

3 september 1990 ingetrokken, de kosten van algemene bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met

31 december 2006 tot een bedrag van € 145.376,28 bruto en over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2007 tot een bedrag van € 3.000,29 netto van appellanten teruggevorderd en voorts een bedrag van € 4.489,98 teruggevorderd als ten onrechte verleende kosten van bijzondere bijstand in de periode van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2007.

1.5. Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 26 juni 2007 ongegrond verklaard. Daartoe heeft het College onder meer overwogen dat appellant zijn inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn vermogen in het buitenland heeft geschonden en dat het recht op bijstand van appellanten niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2007 met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat appellant gedurende de gehele periode in geding een vermogen groter had dan het vrij te laten vermogen en dat daarom het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld in die zin dat appellanten geen recht op bijstand hadden.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

4. De Raad komt - zich beperkend tot de in hoger beroep aangevoerde gronden - tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode loopt in dit geval van 3 september 1990 tot en met 26 juni 2007.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van de betrokkene staan genoteerd, de vooronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover deze beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.

4.3. Uit het door het IBF verrichte onderzoek blijkt dat op 24 september 1987 in het kadaster zijn ingeschreven appellant, zijn vader en drie andere zonen van zijn vader als kopers van een stuk grond genaamd “[P]” (hierna: het stuk grond) groot 5 are 19 centiare tegen een prijs van 644.256,09 Dirham. Op 26 juli 1991 zijn de vijf eigenaren overgegaan tot splitsing van dit stuk grond in drie ongeveer gelijke percelen. Op 13 april 1992 heeft één van de andere zonen als vertegenwoordiger van de vijf eigenaren twee delen aan derden verkocht voor de prijs van 200.000 Dirham per perceel. Op 27 november 2006 stond appellant nog steeds geregistreerd als één van de vijf eigenaren van het resterende deel. Dit resterende deel werd getaxeerd op een waarde van 519.000 Dirham in 1997 en 648.750 Dirham in 2006.

4.4. De Raad is van oordeel dat appellanten er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat één-vijfde van het resterende deel van het stuk grond in weerwil van de in 4.2 genoemde inschrijvingen en transacties, niet tot het vermogen van appellant behoorde. Daaruit volgt immers niet alleen dat appellant als mede-eigenaar was geregistreerd, maar ook dat hij samen met de andere eigenaren, al dan niet door tussenkomst van een gevolmachtigde, heeft beschikt over dat stuk grond. De enkele stelling dat dit aandeel niet tot zijn vermogen behoort is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Appellanten hebben zich nog beroepen op een onder 4.2 bedoelde kadaster gegevens namelijk naast zijn vader en drie broers, nog een broer en vier zusters. Uit vergelijking met de onder 4.2 bedoelde kadastergegevens valt vast te stellen dat deze akte betrekking heeft op de verkoop op 19 januari 2007 aan een derde van onroerend goed met een andere naam, een ander perceelnummer en een andere oppervlakte dan de eerder genoemde delen van het stuk grond, voor een prijs van 400.000 Dirham. Deze akte kan dus de stelling van appellanten niet schragen. De Raad stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de waarde van het aandeel van appellant in (het resterende deel van) het stuk grond gedurende de gehele beoordelingsperiode het bedrag van de voor appellanten geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed.

4.5. Het betoog van appellanten dat zij hun inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat appellant niet wist dat hij mede-eigenaar was van (een gedeelte van) het stuk grond, moet falen. Uit de in 4.2 genoemde transacties volgt dat appellant daarbij aanwezig is geweest of daartoe volmacht heeft verleend. Uit de op 7 mei 2007 afgelegde verklaring volgt ook dat appellant er van op de hoogte was dat dit stuk grond mede op zijn naam stond. De beleving van appellant dat zijn aandeel niet tot zijn vermogen behoorde, ontsloeg hem niet van de verplichting om mededeling te doen aan het College van de inschrijving van de mede-eigendom op zijn naam.

4.6. Appellanten hebben verder betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met schulden tot een bedrag van € 31.000,-- die appellant is aangegaan bij zijn broers, omdat geen terugbetalingstermijn zou zijn bepaald. Deze klacht moet evenwel falen bij gebrek aan belang, nu vaststaat dat deze leningen zijn aangegaan na de intrekking van de bijstand op 26 juni 2007. Die leningen zijn dus niet van invloed op het vermogen van appellanten in de hier te beoordelen periode, en daarmee niet van belang voor de vraag of appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden en of zij recht op bijstand hebben in die periode en tot welk bedrag.

4.7. De stelling van appellanten ten slotte dat zij hun inlichtingenverplichting niet hebben geschonden ten aanzien van auto’s die op naam van appellant hebben gestaan kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft immers in haar uitspraak, waarin zij het besluit van 3 oktober 2007 heeft vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand heeft gelaten, uitdrukkelijk geen oordeel gegeven over de schending van de inlichtingenverplichting ten aanzien van voertuigen en ander onroerend goed, omdat zij reeds op grond van overwegingen ten aanzien van het stuk grond tot haar beslissing is gekomen.

4.8. Dit voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens als leden in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

KR