Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0725

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
08/4912 WWB + 08/4915 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet meewerken aan verplichting tot arbeidsinschakelin. Diverse maatregelen. Weigering uitvoering opdrachten wegens gestelde rugklachten. In het dossier bevinden zich geen medische stukken, waaruit blijkt dat de gestelde rugklachten reëel zijn. Appellant heeft zich onttrokken aan de (mentale) begeleiding die hem geadviseerd was voor zijn psychische klachten. De grond dat er geen gespreksverslagen zijn gemaakt waaruit blijkt dat appellant voor de gevolgen van zijn handelen is gewaarschuwd kan, gezien het feit dat aan hem al twee keer eerder een maatregel was opgelegd wegens het niet meewerken aan zijn arbeidsinschakeling, niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4912 WWB

08/4915 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] en [Appellante], beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 14 juli 2008, 07/1344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S. Smeets, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2010. Voor appellanten is mr. Smeets verschenen. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 14 april 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft het College de bijstand met 50% verlaagd over de maanden november en december 2005, op de grond dat appellant niet heeft meegewerkt aan een traject via Argonaut Reïntegratie. Appellant volgde vanaf 11 november 2005 het re-integratietraject “de werkende weg”. In het kader van dit traject was appellant verplicht om werkzaamheden te verrichten bij een sociale werkplaats, de WAA. Voorts zou hij bij het zoeken naar vacatures en het solliciteren worden begeleid door het zogenaamde jobcenter bij Randstad Rentree. Bij besluit van 6 september 2006 heeft het College de bijstand met 50% verlaagd gedurende de maanden augustus en september 2006, evenals de vorige keer omdat appellant onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie. Bij besluit van 25 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 september 2006 gegrond verklaard en de bijstand met ingang van 1 februari 2007 verlaagd met 50% gedurende een maand.

1.2. In december 2006 is het re-integratietraject voortijdig beëindigd. Het College heeft vervolgens bij besluit van 4 april 2007 de bijstand over de periode 1 maart 2006 (lees: 2007) tot en met 30 april 2007 verlaagd met 50% op de grond dat appellant niet de verplichting is nagekomen tot gebruikmaking van een door het College aangeboden voorziening en dit heeft geleid tot een definitieve beëindiging van het re-integratietraject.

1.3. Bij besluit 31 juli 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 juli 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Aangevoerd is dat van de gesprekken met appellant geen verslag is gemaakt, waardoor niet aangetoond kan worden dat appellant daadwerkelijk is aangesproken op zijn functioneren en dat hij is gewaarschuwd voor de consequenties van zijn gedrag. Voorts is aangevoerd dat het werk bij de WAA om medische redenen niet voor appellant geschikt was. Hierbij is gewezen op een medisch advies van de bedrijfsarts van “HealthCare” van 24 augustus 2006, waarin wordt vermeld dat appellant forse allergische reacties heeft aan zijn ogen en longen en dat het voor hem moeilijk is om als gezonde man tussen geestelijk gehandicapte collega's te zitten. Het advies van de bedrijfsarts was aanleiding om voor appellant een andere werkplek binnen de WAA te zoeken, waar hij minder last van stof zou hebben. Voor zijn psychische klachten is echter geen oplossing geboden. Het College zou hebben nagelaten te onderzoeken of er andere mogelijkheden buiten de WAA voorhanden waren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de WWB verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB - voor zover hier van belang - verlaagt het college de bijstand overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De in artikel 18, tweede lid, bedoelde verordening is de Afstemmingsverordening Wwb 2007.

4.3. Niet in geschil is dat voor appellant de plicht tot arbeidsinschakeling gold als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College terecht tot de conclusie is gekomen dat appellant zijn verplichtingen ten aanzien van zijn arbeidsinschakeling niet of in onvoldoende mate is nagekomen. Uit het rapport naar aanleiding van het heronderzoek WWB van 6 december 2006 komt naar voren dat er, na de verlaging van de uitkering per 1 augustus 2006, op 13 oktober 2006 weer een evaluerend gesprek met appellant heeft plaatsgevonden omdat appellant het traject bleef frustreren. Dit gesprek heeft geleid tot de afspraak dat appellant zou stoppen met de Job Club bij Randstad Rentree omdat hij weigerde opdrachten uit te voeren die Randstad hem opdroeg. Voorts is het advies van de bedrijfsarts gevolgd om een vervangende werkplek te zoeken. In plaats van het werk als inpakker van handdoeken is afgesproken dat appellant bij de WAA 32 uur per week zou gaan werken in de schoonmaak met de duidelijke verwachting van inzet en actief zijn op de werkvloer. Uit het rapport komt verder naar voren dat er op 15 november 2006 weer een gesprek heeft plaatsgevonden met appellant en zijn trajectbegeleider van Randstad Rentree op verzoek van zijn teamleider van de WAA. In dit rapport is het volgende vermeld:

“Blh is niet te handhaven op de werkvloer. Weigert opdrachten uit te voeren en hierdoor ontstaat er een gespannen sfeer binnen het team van medewerkers. Blh wil niet de trappen aanvegen. Zou hiertoe niet in staat zijn ivm zijn rugklachten echter blh wordt hiertoe wel in staat geacht. Voor de WAA is de maat nu vol en men wil niet meer samenwerken met Blh. Blh verwijt de WAA dat zij niet meegaan in de oplossing van hem om hem niet de trappen te laten vegen. Blh blijft alle verantwoordelijkheden naast zich neerleggen. Blh is reeds in een aantal gesprekken gewezen op zijn verantwoordelijkheden en zijn verplichtingen in het kader van zijn re-integratietraject.”

4.5. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant bevestigd dat appellant in zijn nieuwe werk als schoonmaker geweigerd heeft om de trappen te vegen vanwege de door hem gestelde rugklachten. De Raad stelt vast dat zich geen medische stukken in het dossier bevinden, waaruit blijkt dat de gestelde rugklachten reëel zijn. Het rapport van de bedrijfsarts had geen betrekking op de werkzaamheden als schoonmaker, maar op de eerder verrichte werkzaamheden als handdoekeninpakker. Uit dit rapport blijkt naar het oordeel van de Raad niet dat de schoonmaakwerkzaamheden medisch gezien niet passend waren voor appellant. Weliswaar heeft de bedrijfsarts opgemerkt dat appellant moeite heeft met de werkomgeving, maar hieruit volgt naar het oordeel van de Raad niet dat appellant alleen buiten de WAA werkzaam zou kunnen zijn. De bedrijfsarts heeft voor de psychische klachten van appellant mentale begeleiding geadviseerd. In verband hiermee is appellant verwezen naar “Wel.kom”. In het eerste gesprek bij Wel.kom heeft appellant echter te kennen gegeven dat hij niet weet wat Wel.kom voor hem zou kunnen betekenen. Verder contact heeft niet meer plaatsgevonden. Ter zitting van de Raad is deze gang van zaken bij Wel.kom bevestigd, met de opmerking dat in het eerste gesprek reeds duidelijk was dat een werkplek buiten de WAA niet tot de mogelijkheden behoorde en appellant daarom verder contact niet zinvol achtte. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant zich hierdoor onttrokken aan de begeleiding die hem geadviseerd was.

4.6. De grond dat er geen gespreksverslagen zijn gemaakt waaruit blijkt dat appellant voor de gevolgen van zijn handelen is gewaarschuwd kan, gezien het feit dat aan hem al twee keer eerder een maatregel was opgelegd wegens het niet meewerken aan zijn arbeidsinschakeling, niet slagen.

4.7. De Raad ziet dan ook geen reden om te aan te nemen dat appellant van de onder 4.5 genoemde gedragingen geen enkel verwijt kan worden gemaakt, zodat het College op grond van het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand overeenkomstig de Afstemmingsverordening Wwb 2007 te verlagen. Tegen de hoogte en de duur van de opgelegde verlaging zijn geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd.

4.8. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.B.J. van der Ham en N.M. van Waterschoot, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R. Scheffer.

KR