Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
09-5080 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WAO-uitkering. Appellante heeft arbeid verricht in de vorm van het ‘lopen’ van diverse krantenwijken en uit deze arbeid inkomsten verworven. Vast staat dat appellante van deze werkzaamheden geen melding heeft gemaakt aan het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5080 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 5 augustus 2009, 08/6022 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.W.M. van de Wouw, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer gevoerd en heeft op verzoek nadere vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2010, waar appellante is verschenen met bijstand van mr. Van de Wouw. Het Uwv is vertegenwoordigd door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontving sinds 26 september 1986 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip is door het Uwv een fraudeonderzoek ingesteld, waarvan verslag is gedaan in een rapport van 9 juni 2008. Daarin wordt door M.M. van den Bosch, fraude-inspecteur -samengevat- geconcludeerd dat appellante sinds 18 juni 2001 tot eind november 2007 inkomsten uit werkzaamheden, te weten krantenbezorgster bij het Brabants Dagblad en het NRC Handelsblad, heeft verkregen, welke zij niet heeft gemeld aan het Uwv. Geadviseerd wordt 50% van alle inkomsten en verdiensten toe te schrijven aan appellante en de overige 50% toe te schrijven aan de moeder van appellante op wier bankrekening de inkomsten uit de werkzaamheden werden gestort.

1.3. Arbeidskundig onderzoek leidde het Uwv vervolgens in rapporten van 21 juli 2008 en 5 december 2008 tot de conclusie dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante over de betreffende periode onveranderd 80 tot 100% was gebleven, maar dat die uitkering, met inachtneming van de volledige inkomsten die appellante met haar werkzaamheden verwierf, onder toepassing van artikel 44 van de WAO overeenkomstig die verdiensten diende te worden betaald.

1.4. Vervolgens heeft het Uwv de volgende besluiten, allen gedateerd 24 juli 2008, genomen:

- besluit I, op grond waarvan in verband met inkomsten uit arbeid de uitkering van appellante vanaf 18 juni 2001 wordt gekort en uitbetaald als ware de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 35 tot 45%;

- besluit II, op grond waarvan vanaf 1 december 2007 de korting wegens inkomsten uit arbeid vervalt:

- besluit III, op grond waarvan van appellante wordt teruggevorderd hetgeen aan haar over de periode 18 juni 2001 tot en met 30 november 2007 onverschuldigd aan WAO-uitkering is uitbetaald, zijnde € 36.410,58.

2. Appellante heeft tegen de besluiten I en III bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe -samengevat- overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat niet de moeder maar appellante zelf de werkzaamheden met betrekking tot de krantenwijken heeft verricht mede gezien de gezondheidstoestand van haar moeder en de door appellante afgelegde verklaring. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de afspraak die appellante met haar moeder had, namelijk dat ieder 50% van de inkomsten ontving, onverlet laat dat appellante de op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank kan in die omstandigheden met de volledige inkomsten rekening worden gehouden bij de herziening van de WAO-uitkering. Verder heeft zij geoordeeld dat de rechtspraak van de Raad, onder andere LJN BJ1786, niet ter zake doende is nu in de onderhavige zaak nimmer een huiszoeking heeft plaatsgevonden. Tot slot is naar haar oordeel geen sprake van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had dienen af te zien.

4. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist en daartoe in essentie de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Ter zitting heeft appellante nogmaals benadrukt dat zij niet alleen de kranten rondbracht. Appellante heeft verklaard dat zij vanaf 2001 tot 2005 de kranten met haar moeder rondbracht, en dat zij sinds 2005, toen de gezondheidstoestand van moeder verslechterde, de werkzaamheden met haar zus verrichtte. Voorts heeft appellante nog toegelicht dat haar moeder degene was die de inkomsten verwierf en deze gebruikte voor het aflossen van schulden. Appellante kreeg enkel een vergoeding voor door haar gemaakte (brommer)onkosten.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De in beroep gerezen onduidelijkheid met betrekking tot de datum waarop het gesprek tussen appellante en fraude-inspecteur M.M. van den Bosch in het kader van zijn onderzoek heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de Raad door het Uwv, bij brief van 9 april 2010, afdoende weggenomen. Uit deze brief blijkt dat appellante op

25 april 2008 en op 21 mei 2008 op gesprek bij de fraude-inspecteur is geweest. De Raad ziet geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

5.3. Ook voor de Raad staat vast dat, gelet op de gegevens verkregen tijdens het fraudeonderzoek, en in het bijzonder de door appellante op 21 mei 2008 tegenover de fraude-inspecteur afgelegde verklaring, appellante arbeid heeft verricht in de vorm van het ‘lopen’ van diverse krantenwijken en uit deze arbeid inkomsten heeft verworven. Er zijn geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de door appellante op 21 mei 2008 afgelegde verklaring te twijfelen. In vaste rechtspraak van de Raad ligt immers besloten dat in beginsel van de juistheid van tegenover beambten belast met onderzoek naar de rechtmatigheid van uitkeringen afgelegde verklaringen mag worden afgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of het achteraf ontkennen van het verklaarde, zeker wanneer dat niet direct nadien gebeurt, geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Voorts acht de Raad van belang dat appellante op het spreekuur van de verzekeringsarts R.C. van Rijswijk op 17 september 2008, zo blijkt uit het rapport van deze arts van 29 september 2008, in het bijzijn van haar begeleidster van Bureau MAKS, de verklaring zoals afgelegd tegenover de fraude-inspecteur in essentie heeft herhaald.

5.4. Verder staat vast dat appellante van deze werkzaamheden geen melding heeft gemaakt aan het Uwv. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het, al dan niet deels, afstaan van haar inkomsten uit deze arbeid geen reden is om bij de toepassing van artikel 44 van de WAO slechts uit te gaan van 50% van de volledige inkomsten.

5.5. De Raad komt tot de conclusie dat het Uwv terecht met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO de uitkering van appellante over de periode 18 juni 2001 tot en met 30 november 2007 heeft uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De Raad is verder niet gebleken dat het terugvorderingsbesluit onjuist moet worden geacht.

5.6. De stelling van appellante dat sprake is van dringende redenen omdat zij door de terugvordering in een uitzichtloze situatie zou komen is niet met gegevens onderbouwd. Ook in de gedingstukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat door de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen voor appellante optreden. De Raad ziet dan ook geen dringende reden, als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO, op grond waarvan het Uwv van terugvordering had moeten afzien.

5.7. Uit de overwegingen 5.2 tot en met 5.6 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H.G. Rottier en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.D.F. de Moor.

KR