Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0691

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
14-01-2011
Zaaknummer
10-399 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/399 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2009, 09/1913 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2010. Namens appellant is mr. Haze verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor de loop van de procedure verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als medewerker buitendienst voor gemiddeld 36 uur per week toen hij in 1998 uitviel voor zijn werk als gevolg van schouderklachten. Na afloop van de wachttijd is hem destijds een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De uitkering is nadien ongewijzigd voortgezet.

1.3. De uitkering is op grond van de resultaten van een herbeoordeling aan de hand van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten ingaande 14 januari 2009 ingetrokken bij besluit van 13 november 2008 omdat de mate van ongeschiktheid van appellant minder dan 15% bedroeg.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 6 mei 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen gemaakte bezwaar van appellant, onder verwijzing naar een rapport van 9 april 2009 van een voor het Uwv werkzame bezwaarverzekeringsarts, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een juiste medische grondslag. De rechtbank heeft voorts de aan appellant voorgehouden functies voor hem geschikt bevonden.

3.1. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij op medische gronden volledig ongeschikt is voor de aan hem voorgehouden functies. Aanvullend heeft hij aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Daartoe heeft hij erop gewezen dat op de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 november 2008 minder beperkingen zijn aangegeven dan op de kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (kFML) van dezelfde datum.

3.2. Het Uwv heeft geen verklaring gegeven voor het verschil tussen de FML en kFML. Het heeft erop gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts op 9 april 2009 de FML heeft aangepast waarmee dat verschil is komen te vervallen.

4. Het oordeel van de Raad.

4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft er een voldoende zorgvuldig en diepgaand verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De Raad volgt appellant niet in zijn grond dat de geselecteerde functies wellicht gebaseerd zijn op een niet van toepassing zijnde FML. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts, na een eigen lichamelijk onderzoek van appellant op 9 april 2009, een nieuwe FML heeft opgesteld. De FML van 5 november 2008 is komen te vervallen en aan het bestreden besluit is vervolgens de aangepaste FML van 9 april 2009 ten grondslag gelegd.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om de belastbaarheid van appellant, zoals verwoord in de FML van 9 april 2009 voor onjuist te houden.

Het Uwv heeft geconcludeerd dat uit de rug-, schouder- en knieklachten, behalve voor zware lichamelijke arbeid, geen aanvullende functionele beperkingen voortvloeien. Voorts is rekening gehouden met de psychische klachten van appellant door aan te geven dat appellant niet in een ziekenhuis kan werken. Appellant heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die betrekking hebben op zijn gezondheidstoestand op of omstreeks 14 januari 2009 die de Raad aanleiding geven voor twijfel aan deze bevindingen.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, is de Raad van oordeel dat met het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 7 juli 2009 voldoende is onderbouwd dat de belasting in deze functies medisch gezien voor appellant mogelijk is.

4.4. Op grond van hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en H.G. Rottier en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.D.F. de Moor.

IvR