Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
09-1657 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag. Aannemelijk gemaakt dat appellant in het bezit is van diploma’s die ten minste gelijk zijn te stellen met het diploma waarover functionarissen in de geselecteerde functies moeten beschikken. Eerst in hoger beroep is het besluit van een voldoende arbeidskundige onderbouwing voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1657 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2009, 08/1627 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.N. Foppen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapportages van zijn bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. A.J.G. Lindeman.

De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het naar zijn oordeel niet volledig is geweest.

Bij brief van 9 december 2010 heeft het Uwv geantwoord op een vraag van de Raad.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een verdere behandeling van de zaak ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uwv van 18 maart 2008 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Met dat besluit handhaafde het Uwv niet zijn besluit van 8 oktober 2007, maar bepaalde hij dat de WAO-uitkering van appellant, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 november 2007 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank berust dat besluit op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag en moet appellant in staat worden geacht de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan door het Uwv is aangenomen. Zijn voortdurende longklachten leiden tot energieverlies en zijn grond voor een urenbeperking. De functies zijn niet geschikt in verband met zijn vatbaarheid voor een verkoudheid, diploma-eisen en gebruik van een computer.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. De gegevens van de behandelende longarts, die appellant in hoger beroep heeft ingebracht en betrekking hebben op een opname in het ziekenhuis ongeveer anderhalf jaar na de in geding zijnde datum van 27 november 2007, doen niet twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Uitvoerig is beargumenteerd dat een urenbeperking niet noodzakelijk is. De bezwaarverzekeringsarts heeft na eigen onderzoek vastgesteld dat de RSI-klachten geen beletsel vormen voor normaal, ergonomisch computergebruik. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 augustus 2007 geen juist beeld geeft van de beperkingen van de mogelijkheden van appellant om in arbeid te functioneren. Het besluit van 18 maart 2008 heeft een voldoende medische grondslag.

4.2. In de FML is opgenomen dat appellant in verband met zijn verhoogde vatbaarheid voor infecties niet in een te kleine afgesloten ruimte met andere mensen moet werken. In hoger beroep heeft het Uwv toegelicht dat de beperking ziet op een situatie waarin zich in relatie tot de grootte ervan veel mensen in een ruimte bevinden, zoals het geval zal zijn in een schaftkeet of een wachtruimte. Met de rapportage van zijn bezwaararbeidsdeskundige van 8 december 2010 heeft het Uwv uiteengezet dat in de functies, die aan de schatting ten grondslag liggen, van werken in dergelijke omstandigheden geen sprake is.

4.3. Uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst volgt dat een diploma-eis geldt in twee van de functies die de arbeidsdeskundige heeft geselecteerd. Appellant is niet in het bezit van het vereiste diploma VMBO theoriegericht. In zijn rapportage van 8 december 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige een overzicht gegeven van de opleidingen die appellant na het behalen van twee LTS-diploma’s heeft gevolgd. Daaruit volgt dat appellant verschillende opleidingen op MBO-niveau 3 met een diploma heeft afgesloten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft gerapporteerd dat appellant in een overleg met hem de opleidingen heeft benoemd als SPW richting onderwijsassistent. Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk gemaakt dat appellant in het bezit is van diploma’s die ten minste gelijk zijn te stellen met het diploma waarover functionarissen in de geselecteerde functies moeten beschikken.

4.4. Het besluit van 18 maart 2008 is eerst in hoger beroep van een voldoende arbeidskundige onderbouwing voorzien, zodat er aanleiding bestaat om de aangevallen uitspraak en het besluit van 18 maart 2008 te vernietigen. De rechtsgevolgen van dat besluit worden met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand gelaten.

5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant bestaande uit de kosten van rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op een bedrag van € 322,- in beroep en op een bedrag van € 322,- in hoger beroep, in totaal € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 maart 2009 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 149,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR