Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
09-3069 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. De geselecteerde functies worden geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3069 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 mei 2009, 08/3618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Oosterhout, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 17 februari 2010 geantwoord op vragen van de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2010. Voor appellante is mr. Van der Zouwen verschenen. Voor het Uwv verscheen mr. M.W.L. Clemens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is in verband met psychische klachten met ingang van 7 april 1990 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 27 januari 2006 heeft het Uwv, beslissend op een bezwaar van appellante, met toepassing van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 9 november 2005 herzien naar 15 tot 25%. De Raad heeft bij uitspraak van 19 november 2008, LJN BG6197, de medische grondslag van het besluit van 27 januari 2006 onderschreven, maar dat besluit vernietigd omdat de belasting in een van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante te boven gaat en met het vervallen van deze functie aan de schatting nog slechts twee functies ten grondslag liggen. De Raad heeft bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt. Met inachtneming van de uitspraak van de Raad heeft het Uwv bij besluit van 18 februari 2009 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 9 november 2005 vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2. In 2007 heeft het Uwv appellante herbeoordeeld aan de hand van het Schattingsbesluit, zoals dat gold tot 1 oktober 2004. Volgens de verzekeringsarts kan op basis van de voorliggende gegevens worden aangesloten bij de eerder gestelde beperkingen, zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 juni 2005. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het Uwv de mate van arbeidongeschiktheid van appellante per 22 februari 2007 vastgesteld op 15 tot 25%. Naar aanleiding van het bezwaar van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts op

30 mei 2008 de FML aangepast, omdat appellante in verband met het gebruik van medicijnen niet beroepsmatig een auto kan besturen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de arbeidskundige grondslag heroverwogen en het verlies aan verdiencapaciteit berekend op ruim 25%. Bij besluit van 17 juni 2008 heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering van appellante per 22 februari 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 17 juni 2008 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat het uit 1995 daterende rapport van psychiater A.D. Haverkamp geen voldoende onderbouwing biedt voor het aannemen van de door appellante gestelde volledige arbeidsongeschiktheid in 2007. Uit de beschikbare medische gegevens blijkt niet van een wijziging van de belastbaarheid van appellante in de periode gelegen tussen 9 november 2005 en 22 februari 2007. Nu de Raad heeft geoordeeld dat per 9 november 2005 voldoende beperkingen zijn vastgesteld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML die de beperkingen per 22 februari 2007 verwoordt. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende toegelicht dat de functies, die het Uwv aan de schatting ten grondslag heeft gelegd, voor appellante geschikt zijn.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald dat zij meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen en daarbij opnieuw verwezen naar het rapport van psychiater Haverkamp. In de FML ontbreekt volgens appellante een urenbeperking en bij de beoordeling van de geschiktheid van de functies is miskend dat zij in verband met medicijngebruik niet met machines kan werken.

3.2. Het Uwv heeft een rapportage ingebracht van zijn bezwaarverzekeringsarts waarin wordt onderkend dat medicijngebruik het reactievermogen negatief kan beïnvloeden en een beperking oplevert voor het bedienen van gevaar opleverende machines. In een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige is uiteengezet dat in de geselecteerde functies van het bedienen van gevaar opleverende machines geen sprake is. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het besluit van 17 juni 2008. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die een aanwijzing bevatten dat haar medische situatie op 22 februari 2007 een andere was dan op 9 november 2005. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 30 mei 2008 terecht erop gewezen dat de gegevens uit het psychiatrische onderzoek in 1995 met de vaststelling van de medische belastbaarheid per 9 november 2005 als achterhaald zijn te beschouwen. Appellante heeft zich, zoals ter zitting is bevestigd, niet voor haar psychische klachten onder behandeling gesteld. Voor het aannemen van verdergaande beperkingen, waaronder een urenbeperking, ontbreekt een medische onderbouwing.

4.2. Ook de Raad is van oordeel dat de resterende functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt moeten worden aangemerkt. Met betrekking tot de door appellante opgeworpen beroepsgrond dat zij vanwege medicijngebruik niet geschikt is voor functies waarbij machines moeten worden bediend, heeft de bezwaararbeidsdeskundige overtuigend uiteengezet dat in de functies geen sprake is van een verhoogd persoonlijk risico in de zin van werken met of in de nabijheid van gevaar opleverende machines. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de belasting in de functies in overeenstemming is met de functionele mogelijkheden van appellante. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunt gevonden om aan deze conclusie te twijfelen.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) M. Mostert.

KR