Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
09-3177 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering in aanvulling op de WAO-uitkering van appellant. Beoordelingsperiode. Appellant en partner beschikken over inkomen boven de bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3177 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 mei 2009, 08/1928 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw (hierna: College)

Datum uitspraak: 11 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2010. Appellant is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.P.M. Mertens, werkzaam bij de gemeente Maasgouw.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant en [S.] hebben op 1 mei 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand gedaan, zulks in aanvulling op de WAO-uitkering van appellant.

1.2. Bij besluit van 8 augustus 2007 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat, ervan uitgaande dat [S.] de volledige heffingskorting minst verdienende partner ontvangt, appellant en [S.] over een inkomen beschikken dat hoger is dan de voor hen geldende bijstandsnorm. Bij besluit van 4 maart 2008 heeft het College het tegen het besluit van 8 augustus 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 13 augustus 2008, 08/471, heeft de rechtbank Roermond het tegen het besluit van 4 maart 2008 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het College zich voor de bepaling van het recht op bijstand ervan had moeten vergewissen of appellant en [S.] inderdaad de heffingskorting hebben gevraagd (en ontvangen) waarover zij gezien hun inkomens- en uitgavensituatie in fiscale zin redelijkerwijs konden beschikken.

1.4. Bij besluit van 26 november 2008 heeft het College, ter uitvoering van de onder 1.3 genoemde uitspraak, opnieuw op het bezwaar beslist. Daarbij heeft het College zowel het maandinkomen van appellant en [S.] vanaf 1 mei 2007 als het inkomen vanaf 1 januari 2008 bezien. Per 1 mei 2007 is het inkomen becijferd op € 1.077,49 aan WAO-uitkering en € 135,66 aan heffingskorting. Vanaf 1 januari 2008 is het inkomen becijferd op € 1.152,64 aan WAO-uitkering en € 172,83 aan heffingskorting. Het bezwaar tegen het besluit van 8 augustus 2007 is wederom ongegrond verklaard, waarbij het standpunt dat appellant en [S.] over inkomen boven de bijstandsnorm beschikken met inachtneming van de hiervoor genoemde inkomsten is gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In hoger beroep stelt appellant zich op het standpunt dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet de volledige heffingskorting minst verdienende partner werd ontvangen, waardoor het gezinsinkomen in de hier aan de orde zijnde tijdvakken onder de bijstandsnorm lag. Het College heeft dat tegengesproken.

4.2. De hier ter beoordeling staande periode betreft volgens vaste rechtspraak van de Raad in beginsel de periode vanaf 1 mei 2007 (de aanvraagdatum) tot en met de datum van het besluit op de aanvraag (8 augustus 2007). Zoals uit onderdeel 1.4 blijkt, heeft het College een langere periode bezien. De Raad ziet in dit geval aanleiding eveneens die ruimere periode te beoordelen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat ten tijde van het nemen van het tweede besluit op bezwaar tussen partijen zowel wat betreft het inkomen over 2007 (vanaf 1 mei) als wat betreft het inkomen met ingang van 1 januari 2008 dezelfde discussie speelde, namelijk tot welk bedrag de heffingskorting diende te worden betrokken bij de bepaling van het recht op bijstand. Daarmee werd voorkomen dat appellant en [S.] een nieuwe aanvraag om bijstand moesten doen. Appellant is hierdoor ook anderszins niet benadeeld.

4.3. Het inkomen vanaf 1 mei 2007

4.3.1. Bij voorlopige aanslag 2007 inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, gedateerd 19 september 2008, heeft de Belastingdienst de heffingskorting voor [S.] vastgesteld op een bedrag van € 1.628,-- en dit bedrag ook betaalbaar gesteld. Deze aanslag is gebaseerd op de aangifte van [S.]. Appellant heeft geen latere beschikking van de Belastingdienst in het geding gebracht waaruit blijkt dat de Belastingdienst over 2007 een lagere heffingskorting heeft toegepast.

4.3.2. Evenals het College gaat de Raad daarom uit van een heffingskorting van € 1.628,--, derhalve van een bedrag per maand van € 135,66. Dat betekent dat het gezamenlijk inkomen van appellant en [S.] uitkomt boven het bedrag van de voor hen destijds geldende bijstandsnorm van € 1.176,25. Over de periode van 1 mei 2007 tot en met 31 december 2007 bestond op die grond geen recht op bijstand.

4.4. Het inkomen vanaf 1 januari 2008

4.4.1. Het College heeft zich in zijn besluit van 26 november 2008 gebaseerd op de beschikking van de Belastingdienst van 29 januari 2008 tot voorlopige teruggaaf over 2008 van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. In die beschikking is uitgegaan van een heffingskorting van € 2.074,--, zijnde € 172,83 per maand. Daarvan uitgaande bedraagt het gezamenlijk inkomen van appellant en [S.] meer dan het bedrag van de voor hen destijds geldende bijstandsnorm van € 1.201,05.

4.4.2. In hoger beroep heeft appellant een beschikking van de Belastingdienst van 15 mei 2009 overgelegd. In deze beschikking is de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2008 neergelegd. In deze beschikking, die is gebaseerd op de aangifte van [S.], is de heffingskorting vastgesteld op € 1.048,--, welk bedrag ook betaalbaar is gesteld. Appellant heeft geen latere beschikking van de Belastingdienst in het geding gebracht waaruit blijkt dat de Belastingdienst over 2008 een lagere heffingskorting heeft toegepast. Ook als van laatstgenoemd bedrag wordt uitgegaan - omgerekend is dat een bedrag van ruim € 87,-- per maand - staat het gezamenlijk inkomen van appellant en [S.] aan verlening van bijstand in de weg. Met ingang van 1 januari 2008 hadden appellant en [S.] derhalve evenmin recht op bijstand.

4.5. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dus te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) C. de Blaeij.

IJ