Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0581

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
08-7305 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag bijstandsuitkering is terecht buiten behandeling gesteld wegens het niet overleggen van de gevraagde stukken. Terugvordering voorschotten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7305 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 december 2008, 08/1098 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Hüsen. Het College is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 3 augustus 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2007 (lees: 3 oktober 2007) is de aanvraag buiten behandeling gesteld wegens het niet overleggen van de gevraagde stukken. Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft het College de verstrekte voorschotten met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.245,--.

1.2. Bij besluit van 12 februari 2008 is het bezwaar tegen het besluit van 3 augustus 2007 (lees: 3 oktober 2007) ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit 23 oktober 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het terugvorderingsbedrag is vastgesteld op € 1.095,--.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 12 februari 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.1.1. Naar het oordeel van de Raad heeft het College op goede gronden verzocht om betalingsbewijzen van de huur, de polis ziektekostenverzekering en de giro/bankafschriften over de afgelopen drie maanden. Deze gegevens zijn immers noodzakelijk voor de beoordeling van het recht op bijstand. De Raad stelt met de rechtbank op de door deze gegeven gronden vast dat de gevraagde gegevens niet zijn verstrekt binnen de bij brief van 25 september 2007 gegeven hersteltermijn die liep tot en met 2 oktober 2007.

4.1.2. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.

4.2. Met betrekking tot de terugvordering van de voorschotten merkt de Raad op dat artikel 52, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college bij wijze van voorschot bijstand verleent in de vorm van een renteloze geldlening zolang het college het recht op algemene bijstand niet heeft vastgesteld. Het vierde lid bepaalt dat, indien bijstand wordt verleend over een periode waarover met toepassing van het eerste lid een voorschot is verleend, deze bijstand zonder machtiging van de belanghebbende kan worden verrekend.

4.2.1. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ingevolge artikel 52 van de WWB bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.

4.2.2. Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant verklaard voorschotten te hebben ontvangen, alleen weet hij niet meer hoe vaak en tot welk totaal bedrag. Uit de administratie van het College blijkt afdoende wanneer en tot welk bedrag voorschotten zijn verstrekt, zodat de Raad van de juistheid van die gegevens uitgaat. Dat niet van ieder aan appellant verstrekt voorschot een door appellant ondertekende kwitantie is overgelegd maakt dat niet anders.

4.2.3. De (teruggevorderde) voorschotten zijn met toepassing van artikel 52 van de WWB aan appellant verstrekt. Voorts is de aanvraag naar aanleiding waarvan de voorschotten zijn verleend, wegens ontbrekende gegevens met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb buiten behandeling gesteld. Strikt genomen is derhalve na het verstrekken van de voorschotten niet inhoudelijk beoordeeld of en vastgesteld dat appellant op dat moment geen recht op bijstand had. Naar het oordeel van de Raad brengt een redelijke wetsuitleg echter mee dat gevallen waarin de aanvraag niet heeft geleid tot toekenning van bijstand omdat toepassing is gegeven aan artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb - voor de toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB - op één lijn zijn te stellen met de situatie waarin is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat. Ook in die gevallen is immers geen verrekening met een toegekend recht op bijstand over de betreffende periode mogelijk. De Raad verwijst hiervoor naar zijn eerdere uitspraak van 20 november 2007 (LJN BB8309).

4.2.4. Het voorgaande betekent dat het College bevoegd was de verstrekte voorschotten van appellant terug te vorderen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering. De Raad merkt daarbij nog op dat de voorschotten in de vorm van een geldlening (die normaliter moet worden terugbetaald) zijn verstrekt en dat appellant wist, althans kon weten, dat de voorschotten bij niet toekenning van bijstand moesten worden terugbetaald.

4.3. De aangevallen uitspraak komt, gelet op het vorenstaande, voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) N.M. van Gorkum.

NK