Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BP0479

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2011
Datum publicatie
13-01-2011
Zaaknummer
09-3000 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand in de kosten van het doen opruimen en afvoeren van hetgeen de vorige bewoner in de nieuwe woning (verkregen door woningruil) zou achterlaten. Verhuizing niet medisch noodzakelijk. Geen sprake van noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3000 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 21 april 2009, 08/672 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlagtwedde (hierna: College)

Datum uitspraak: 4 januari 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Visser, advocaat te Stadskanaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2010. Voor appellante is mr. Visser verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.D.G. de Vries, werkzaam bij de gemeente Vlagtwedde.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is op 1 oktober 2007 verhuisd van Groningen naar haar huidige adres, [adres 1] te [woonplaats]. Zij heeft de woning op laatstgenoemd adres verkregen door woningruil. Op 3 augustus 2007 heeft zij een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in onder andere de kosten van het doen opruimen en afvoeren van hetgeen de vorige bewoner in de woning aan de [adres 1] zou achterlaten.

1.2. Bij besluit van 3 oktober 2007, voor zover van belang, heeft het College de aanvraag in de eerste plaats afgewezen op de grond dat appellante de gestelde kosten niet heeft aangetoond. Voorts is er op gewezen dat bij woningruil een woning wordt overgenomen in de staat waarin zij zich bevindt en dat appellante had kunnen bedingen dat de vorige bewoner de woning leeg zou opleveren. Tenslotte is geoordeeld dat appellante niet heeft aangetoond dat er een noodzaak bestond tot verhuizing naar deze woning. Zij had kunnen wachten tot er een andere, leeg achtergelaten woning bij een woningstichting beschikbaar zou komen. In de door appellante overgelegde brief van 27 augustus 2007 van Linis/Lentis, Geestelijke gezondheidszorg Groningen, is weliswaar vermeld dat het belangrijk voor appellante is dat zij een andere woning krijgt, maar niet dat het noodzakelijk is dat appellante verhuist naar de woning aan de [adres 1] te [woonplaats].

1.3. Bij besluit van 1 juli 2008 is het tegen het besluit van 3 oktober 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, van de WWB en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.

4.3. Vast staat dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft gevraagd zich hebben voorgedaan. Appellante heeft immers een nota van € 1.100,-- overgelegd van 6 oktober 2007 van Marko Bosma Klussen te Zuidwolde voor het verwijderen van de laminaatvloer en de daaronder liggende vinyllaag alsmede voor het reinigen en ontsmetten van de betonvloer.

4.4. Dat is anders met betrekking tot het antwoord op de vraag of de kosten noodzakelijk gemaakt zijn. Appellante heeft ter ondersteuning van haar stelling dat de verhuizing medisch noodzakelijk was, een drietal verklaringen overgelegd van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige M. Kroon-Wimmenhove alsmede een verklaring van de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige W. de Lange, inhoudende dat verhuizen voor appellante belangrijk dan wel noodzakelijk is.

4.5. De Raad stelt vast dat de verklaringen niet afkomstig zijn van een arts of specialist. Voorts blijkt uit die verklaringen niet dat verhuizing van appellante naar de [adres 1] te [woonplaats] noodzakelijk was. Uit de stukken blijkt dat appellante al jaren problemen had met de buurtbewoners in Groningen. De Raad houdt het er daarom met het College voor dat appellante ook een andere woning had kunnen vinden door inschrijving bij een woningbouwvereniging en reageren op het woningaanbod. Er is geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat woningruil naar het huidige adres met de daaruit voortvloeiende kosten als noodzakelijk is aan te merken.

4.6. De kosten van schoonmaken en opruimen van haar woning die appellante heeft gemaakt zijn dan ook niet aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB, zodat geen recht op bijzondere bijstand voor die kosten bestaat. Het voorgaande betekent dat het College de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen.

4.7. De aangevallen uitspraak dient derhalve te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2011.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB